| Titel | Dit is Haarlem |
|---|---|
| Ondertitel | Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de stad |
| Gemeente | Haarlem |
| Status | Bijlage Omgevingsvisie Haarlem 2045 |
| Contact | erfgoed@haarlem.nl |
| Datum | januari 2022 |
| Kaart | Erfgoedkaart |
De rijke geschiedenis van Haarlem is nog altijd goed zichtbaar in de ruimtelijke opbouw van de stad. Prehistorische afwateringsstroompjes, middeleeuwse stratenpatronen, de 17de-eeuwse stadsuitleg met zijn regelmatige verkaveling, de romantische villaparken uit de 19de eeuw, de bescheiden arbeiderswijken, de grootschalige stadsvernieuwing uit de jaren zeventig: alle lagen samen hebben de vorm en het karakter van de stad bepaald. Deze Cultuurhistorische Hoofdstructuur laat zien wat de historische gelaagdheid en het verhaal van Haarlem betekenen voor de hedendaagse stad.
Erfgoed heeft een belangrijke plek in de Omgevingswet als één van de te beschermen en beheren belangen. Bij cultureel erfgoed gaat het in de Omgevingswet om monumenten, archeologie, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschap en roerend erfgoed (voor zover dat in het omgevingsplan aan een locatie te verbinden is). Hiernaast wordt werelderfgoed apart gedefinieerd. De gemeente heeft met o.a. het omgevingsplan een centrale rol in het beschermen en het op een goede manier beheren van het erfgoed (zie ook Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 5.130 Bkl).
Aanleiding Cultuurhistorische Hoofdstructuur
De aanleiding voor het maken van voorliggende Cultuurhistorische Hoofdstructuur is de omgevingsvisie die de gemeente Haarlem heeft opgesteld. De omgevingsvisie beschrijft de maatschappelijke opgaven en de strategische keuzes van de stad. In de Omgevingsvisie Haarlem 2045 worden de verschillende belangen die effect hebben op de kwaliteit van de stad onderling afgewogen.
Cultureel erfgoed is in de omgevingsvisie onderdeel van een integrale benadering van de leefomgeving. Het betreft niet alleen monumenten en archeologie, maar vooral ook het verhaal dat Haarlem heeft gemaakt tot de stad die ze nu is. Cultureel erfgoed vormt hiermee één van de dragers voor de omgevingsvisie.
Cultureel erfgoed speelt in de omgevingsvisie en bij de uitvoering hiervan een rol op meerdere vlakken.
Randvoorwaarden
Cultureel erfgoed kan kaderstellend zijn voor ontwikkelingen. Dit is nodig om belangrijke erfgoedwaarden door te kunnen geven aan toekomstige generaties.
Waardecreatie
Door cultureel erfgoed te betrekken bij ontwikkeling wordt een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteit van de leefomgeving. Die identiteit van de stad is bepalend voor onze leefomgeving en kan als inspiratie dienen bij toekomstige ruimtelijke en maatschappelijke opgaven en ontwikkelingen. Door erfgoed goed te benutten wordt Haarlem mooier.
Betrokkenheid en draagvlak
Het historische verhaal vormt een goede ingang om bewoners en de stad bij de opgaven van de omgevingsvisie te betrekken en draagt bij aan een gedeeld verhaal waar Haarlemmers zich in herkennen. Kernkwaliteiten zijn herkenbare, breed gedragen eigenschappen van Haarlem; een goed onderwerp voor een gesprek tussen bewoners, maatschappelijke organisaties, erfgoedprofessionals en andere betrokkenen van binnen en buiten de gemeentelijke organisatie.
De rol van erfgoed bij opgaven uit de omgevingsvisie (Bron: Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland)
Het is belangrijk dat we ervoor zorgen dat huidige en toekomstige veranderingen in de stad en het buitengebied bijdragen aan het herkenbaar houden van de geschiedenis en de karakteristieken van Haarlem. De Cultuurhistorische Hoofdstructuur is opgesteld om de ruimtelijke geschiedenis van de stad te begrijpen, overzicht te bieden en inzichtelijk te maken welke karakteristieken de identiteit van Haarlem bepalen.
De Cultuurhistorische Hoofdstructuur benoemt de samenhangende gebieden binnen de gemeente, de gebiedsoverstijgende lange lijnen en een aantal markante plekken en gebouwen. In het gemeentelijke beleid vormt de Cultuurhistorische Hoofdstructuur de schakel tussen de erfgoedinventaris (álle monumenten en beeldbepalende structuren, gebieden en objecten) en de ambities en keuzes die in de omgevingsvisie geformuleerd worden.
(Bron: Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland)
De Cultuurhistorische Hoofdstructuur heeft een signalerende functie. Bij plannen en besluiten over beheer en ontwikkeling geeft de Cultuurhistorische Hoofdstructuur snel inzicht in de dragers van de geschiedenis die eventueel in het geding komen: gebieden, lijnen of plekken die op de Cultuurhistorische Hoofdstructuur liggen. Het gaat hierbij nadrukkelijk om de hoofdlijnen; op detailniveau is het stuk niet uitputtend en zal vaak nader onderzoek nodig zijn.
De Cultuurhistorische Hoofdstructuur laat zien wat belangrijke waarden zijn en biedt daarmee argumenten die kunnen bijdragen aan de besluitvorming binnen de gemeente. De Cultuurhistorische Hoofdstructuur biedt een overzicht op hoofdlijnen, maar geeft niet aan hoe er met deze waarden omgegaan moet worden; die vertaling vindt plaats in andere beleidsdocumenten. Zo worden ambities en keuzes vastgelegd in de omgevingsvisie en krijgen regels en normen een plek in het omgevingsplan.
Totstandkoming
Voor deze Cultuurhistorische Hoofdstructuur is een analyse gemaakt van de bestaande kennis over Haarlem. Hij is gebaseerd op bestaand beleid van de gemeente en op literatuur, veldonderzoek en inventarisaties en waarderingen van de stad. Voor dit rapport is geen extra archiefonderzoek gedaan. Een overzicht van de gebruikte bronnen is onder het kopje Literatuur opgenomen.
De Cultuurhistorische Hoofdstructuur bestaat uit twee delen. Het eerste deel (hoofdstuk 2 en 3) biedt inzicht in de identiteit van de stad en omvat het verhaal van de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van Haarlem op hoofdlijnen en vervolgens verdeeld in thema's. In het tweede deel (hoofdstuk 4 en 5) is dit verhaal vervolgens gebieds- en structuurgericht uitgewerkt. Deze uitwerkingen vormen de input voor (gebieds)visies, ruimtelijke ontwikkeling en het benoemen van regels en normen in het omgevingsplan. Ieder hoofdstuk bestaat uit een (digitaal raadpleegbare) kaart en een beschrijvende en waarderende tekst.
Het eerste deel beschrijft en verklaart waarom de ruimtelijke structuur van Haarlem zich op deze manier heeft ontwikkeld. De structuur en omvang van Haarlem transformeerden als gevolg van sociaaleconomische, culturele, technische en politieke ontwikkelingen vanaf de stadswording in de 12de en 13de eeuw tot de huidige tijd. Op basis hiervan zijn hoofdpunten benoemd.
Hoofdstuk 2, 'De ruimtelijke geschiedenis van Haarlem', heeft een chronologische opbouw. De bijbehorende kaart geeft de belangrijkste ontwikkelingsfasen van Haarlem in kleur weer. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het karakteristieke silhouet van de stad en de bakens die dit silhouet vormen. De bakens zijn op kaart weergegeven.
Onder bakens wordt het volgende verstaan:
In hoofdstuk 3 worden belangrijke historische thema's geschetst. Het zijn thema's die bepalend zijn geweest voor het aanzien, de structuur en de omvang van de stad, en daarmee voor de Haarlemse identiteit. Zij vormen de narratieve dragers van de ruimtelijke hoofdstructuur. Voor ieder thema zijn illustratief op kaart een aantal plekken gemarkeerd die sprekend zijn voor het betreffende thema.
In het tweede deel (hoofdstuk 4 en 5) wordt ingezoomd op de specifieke kwaliteiten van gebieden met een in zichzelf samenhangende ruimtelijk-historische karakteristiek. Ook komen de cultuurhistorisch belangrijke doorlopende structuren, de lange lijnen, aan bod. Ieder gebied en iedere lange lijn is opgebouwd volgens eenzelfde methodiek: na een chronologische beschrijving van de ontwikkelingsgeschiedenis volgen puntsgewijs de specifieke kernkwaliteiten. Deze punten geven een eerste schets maar zijn niet perse volledig.
In hoofdstuk 4 is Haarlem verdeeld in 23 gebieden. Die gebieden worden gevormd door buurten die een samenhang laten zien in hun ruimtelijke verschijningsvorm, functie en/of betekenis voor de stad en die grotendeels in eenzelfde periode zijn ontstaan of ontworpen. Per gebied is - ter ondersteuning van de beschreven kernkwaliteiten - een historische beeldkarakteristiek bijgevoegd. De beeldkarakteristieken tonen de ruimtelijke samenhang tussen de kernkwaliteiten, van stedelijke context tot het historische straatbeeld, en de verankering hiervan in het stedelijk weefsel. Op de kaart zijn de grenzen van de 23 gebieden aangegeven. Digitaal kan per gebied de betreffende tekst worden opgeroepen.
In hoofdstuk 5 komen 19 cultuurhistorisch belangrijke 'lange lijnen' aan de orde. Dit zijn de verbindende historische structuren op het niveau van de stad en de regio. De lange lijnen bieden de stad samenhang, herkenbaarheid en de mogelijkheid tot oriëntatie. Het gaat om wegen en straten, waterlopen en spoorlijnen. De lange lijnen zijn buurt- en wijk overschrijdend en hebben vaak een gecompliceerd en samengesteld karakter: ze verbinden historische plekken en/of hebben een historische betekenis door een specifieke (voormalige) functie. Een hoofdrol is weggelegd voor de continuïteit van de lijn, die vaak wordt versterkt door de aanliggende bebouwing, de bomenlanen en het groen. De gebouwen geven maat, schaal en betekenis, en houden het historische karakter afleesbaar. Waar de lijnen elkaar kruisen zijn vaak markante historische plekken ontstaan. Waar de lijnen de buurten begrenzen of doorkruisen vormen ze bijzondere structuren op buurtniveau. Daarom moet de beschrijving van de lange lijnen altijd worden gebruikt in combinatie met de gebiedsbeschrijvingen.
Hoofdstuk 5 wordt afgesloten met een kaart met de cultuurhistorische waarden, afgeleid van de beschermde status van objecten en gebieden. Voor de gebouwen worden geen individuele kernkwaliteiten beschreven, hierbij wordt verwezen naar de beschrijvingen die zijn gemaakt in het kader van de aanwijzing tot monument of beeldbepalend pand. Op de kaart die bij dit hoofdstuk hoort zijn alle als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument aangewezen objecten opgenomen. Dit betreft vaak gebouwen maar soms ook gebieden, zoals een park. Hiernaast zijn alle beeldbepalende panden (zogenoemde orde 2) opgenomen. Naast monumenten en beeldbepalende panden met een formele status zijn ook waardevolle panden opgenomen die weliswaar waardevol zijn maar (nog) geen status hebben. De kaart toont de waardevolle gebouwen en soms specifieke locaties.
Bij de ontwikkelingsgeschiedenis (hoofdstuk 2) en bij de beschrijvingen van de gebieden en lange lijnen (hoofdstuk 4 en 5) is gekeken naar de volgende elementen:
Voor zover relevant voor de Cultuurhistorische Hoofdstructuur wordt op de betreffende aspecten ingegaan.
Bij de waardering is gekeken naar de:
De Cultuurhistorische Hoofdstructuur bestaat uit kaartmateriaal en een rapport dat ook digitaal raadpleegbaar is. De vier digitale kaarten vormen informatieve beleidskaarten en zijn op het schaalniveau van de stad gemaakt. Er is een logische gelaagdheid in de kaarten aangebracht die overeenkomt met de opbouw van dit rapport, namelijk:
De onderwerpen (gebieden, lijnen en punten) op de kaarten zijn voorzien van gegevens (database) zoals de beschrijvingen en waarderingen. Op deze manier is de inhoud van dit rapport ook eenvoudig op te roepen via een online kaartviewer van de gemeente. Elke kaartlaag vertelt in samenhang met de tekst een eigen verhaal maar is ook gecombineerd een waardevolle kennisbron. Door kaarten digitaal te ontsluiten ontstaat de mogelijkheid om de Cultuurhistorische Hoofdstructuur te koppelen aan bijvoorbeeld rijks- en provinciaal beleid, archeologie, landschapstyperingen etc. Hierdoor ontstaat een mogelijkheid om gegevens te combineren en aan elkaar te koppelen.
In dit hoofdstuk wordt de historisch-ruimtelijke opbouw van Haarlem beschreven en verbeeld in een serie kaarten. Het ontstaan, de groei en transformatie van gebieden, structuren en objecten, dat heeft geresulteerd in de huidige vorm en omvang van de stad, wordt chronologisch beschreven. De kaart met de bouwperioden toont de belangrijkste ontwikkelingsfasen van Haarlem in kleur.
Kaart bouwperioden (bron: Bas Schout).
Het huidige kustlandschap begon circa 12.000 jaar geleden vorm te krijgen toen de laatste ijstijd eindigde en het warmere Holoceen aanbrak. Het landijs smolt en de zeespiegel begon te stijgen. Hierdoor kwam de kustlijn dieper landinwaarts te liggen. Door de stijgende zeespiegel stegen de grondwaterstanden onder het landoppervlak mee, met als gevolg het ontstaan van moerassen en (laag)veenvorming. Na 4.000 v. Chr. nam de zeespiegelstijging geleidelijk af. Wind en zee voerden grote hoeveelheden zand aan, waardoor een reeks strandwallen ontstond, de oude duinenrijen. Daarmee kwam van Alkmaar tot Leiden een gesloten kustlijn tot stand, op enkele plaatsen doorbroken door riviermondingen. In Zuid-Kennemerland liggen drie parallelle oude duinenrijen. Op de meest oostelijke en oudste strandwal ontstond Spaarnwoude, op de iets later ontstane middelste strandwal Haarlem en Heemstede en op de westelijke Santpoort, Bloemendaal en Overveen. De hogere, jonge duinenrij, lopend ten westen van Haarlem, van Den Helder tot Den Haag, ontstond pas in de 11de en 12de eeuw.
Vereenvoudigde geologische kaart van Haarlem. De ruimtelijke ontwikkeling van Haarlem is sterk bepaald door de noord-zuid lopende strandwal en de aan weerszijden gelegen veengebieden (bron: Speet 2006, p. 7).
Op de hoogste delen van de oude strandwallen vond al vanaf de Steentijd bewoning plaats. Het kustgebied bestond toen uit uitgestrekte bossen en meertjes en was aantrekkelijk voor rondtrekkende jagers en vissers. De langgerekte strandwallen werden gebruikt als akkerland en er liep vaak een doorgaande weg overheen. Tussen de strandwallen lagen open, natte en langgerekte strandvlakten. Deze venige gronden waren van oudsher in gebruik als weilanden en hooilanden. Het (grond)water stroomde via kleine beken (duinrellen) uit de duinen naar de strandvlakten. Kreekjes en stroompjes voerden het overtollige water van het veen af op de grotere rivieren, zoals het Spaarne, die weer uitmondde in het IJ en het Almere. Al vroeg probeerden mensen de afwatering te verbeteren door afwateringssystemen aan te leggen of door bestaande waterlopen te optimaliseren.
In de 9de en 10de eeuw groeide de bevolking in het westen van Nederland. Zij vestigde zich op de hoger gelegen strandwallen en op de hogere oevers langs rivieren en veenstroompjes. Dit waren de enige plekken in het natte veengebied waar bewoning mogelijk was. Op de plek waar de noord-zuid route over land en het Spaarne elkaar het dichtst naderen kent Haarlem zijn oorsprong als agrarische nederzetting. Hier lagen twee geesten (landbouwcomplexen) die van elkaar werden gescheiden door een beek. Het is aannemelijk dat de beek een natuurlijk afwateringselement vormde, hoewel de middeleeuwse loop tekenen van vergraving vertoont. De twee geesten zijn nog steeds te herkennen aan het bochtige verloop van de Gierstraat, Koningstraat, Barteljorisstraat en Kruisstraat. De boerderijen lagen oost-west georiënteerd op de strandwal. De Krocht (de straatnaam bestaat nog steeds) was een hooggelegen zandige akker. Tot in de middeleeuwen was dit een open gebied.
Haarlem in de vroege middeleeuwen
In de vroege middeleeuwen scheidde de oost-west lopende beek twee landbouwcomplexen (geesten) van elkaar. De geesten lagen langs het noord-zuid lopende pad over de strandwal (bron: Regteren Altena 1982, p. 18).
Vanaf de 10de eeuw werd het veen rondom Haarlem ontgonnen en geschikt gemaakt voor agrarische gronden. De ontginningen begonnen bij de strandwal en werden in oost-westelijke richting uitgevoerd. Voor de afwatering van het veen groef men de Delft en de Houtvaart. Rond Het Sant, wat nu de Grote Markt wordt genoemd, woonden boeren en vissers. Aan de oostzijde van de Kleine Houtstraat was enige bewoning langs het Spaarne. Het Spaarne was in deze tijd veel breder; de oever liep langs de Witstraat, Kleine Houtstraat, Lange Veerstraat, Klokhuisplein achter de Grote Kerk, naar de Bakenesserstraat, Ravesteeg en Kromsteeg. Aan de oostzijde van de strandwal in de bocht van het Spaarne stond een kerk of kapel, die omstreeks 993-1049 voor het eerst wordt vermeld, en die al snel werd verheven tot parochiekerk.
In de 12de eeuw trachtten de graven van Holland hun machtsgebied uit te breiden van de omgeving van Leiden naar het noorden (Kennemerland en West-Friesland). Op het strategische punt waar de landweg over de strandwal en het Spaarne elkaar het dichtst naderden vestigden ze een steunpunt waar het garnizoen gelegerd werd. De eerste vermelding van een verblijf van de graven in Haarlem gaat terug tot 1105. Dit verblijf groeide uit tot een hof met een bestuurlijke functie voor Kennemerland. De eerste vermelding van het hof dateert van 1214. Sporen hiervan zijn nooit gevonden, maar aangenomen wordt dat het hof aan het Sant heeft gestaan. De aan de zuidzijde van het Sant lopende beek vormde de grens van het grafelijk gebied. Ten Noorden van de beek vestigde zich de adel en geestelijkheid in grote woonhuizen. De meeste oudste kloosters zijn hier te vinden. Ten zuiden ervan woonden kooplieden en ambachtslieden. De overwegend houten bebouwing was ruim opgezet.
De aanwezigheid van het grafelijke hof, de gunstige ligging en de ontginningen in de omgeving stimuleerden de groei van de stad. In 1245 kregen de burgers stadsrecht. Daarmee kent Haarlem al heel lang een stedelijke autonomie en eigen bestuur; niet alleen van de stad zelf, (later) ook als provinciehoofdstad en bisdom.
In 1245 kende Haarlem een paar stedelijke bouwwerken: een gevangenis, waaggebouw, een klokkentoren en een gebouw waar recht werd gesproken. Helaas is niet bekend waar deze gebouwen precies stonden. Het landverkeer kwam via de Herenweg naar Haarlem en splitste zich bij de Grote Houtstraat en de Smedestraat. De driehoekige ruimte tussen de wegen werd gebruikt voor opslag van de goederen. Ook de Zijlstraat, Jansstraat, Lange Veerstraat en Kleine Houtstraat vormden verbindingen met het omliggende gebied. Het eerste stadhuis stond vermoedelijk op de hoek van de Smedestraat en de Grote Markt. Dit gebouw staat er nu niet meer, maar de plek is nog goed herkenbaar. Rond 1290 werd het Dominicanerklooster gebouwd, op een stuk grond dat graaf Floris V ter beschikking stelde.
In 1248 werd in het Spaarne een dam aangelegd, Spaarndam is naar die dam genoemd. De dam werd in 1253 vervangen door een kolksluis. Rond de kolksluis ontstond veel bedrijvigheid. Er vestigden zich onder andere een zeilmaker, een mastenmaker, een kruidenier en diverse cafés.
Reconstructietekening van Haarlem rond 1245 door B. Brobbel
De structuur van Haarlem werd bepaald door de noord-zuid lopende strandwal, het Spaarne en de oost-west lopende beek. Op de plek waar de strandwal en het Spaarne elkaar het dichtst naderden en ten noorden van de beek werden het hof en de kerk gebouwd (bron: Speet 2006, p. 10).
In de 14de eeuw namen de bevolking en de bedrijvigheid in de stad sterk toe. Er werden veel nieuwe woningen met bedrijfjes gebouwd en stegen en straten aangelegd. De structuur was gericht op het hart van de stad: de Grote Markt. Tussen 1350 en 1450 werd de stad aan de westelijke, oostelijke en zuidelijke zijde uitgebreid, waarbij werd voortgebouwd op de al bestaande wegenstructuur. De voormalige vesten werden steeds als grachten in de stad opgenomen. De oostelijk van het Spaarne gelegen scheepswerven werden daarbij ook binnen de muren getrokken. De stad werd binnen deze omwalling steeds intensiever gebruikt en verder verdicht.
Ondertussen manifesteerde de stedelijke burgerij zich steeds duidelijker. Het stadhuis kwam in 1350 aan de kop van de Grote Markt te staan, nadat het grafelijke hof en het Dominicanerklooster in 1347 voor een groot deel waren verwoest en graaf Willem V zijn bezittingen aan de stad en de Dominicanen overdroeg. Tussen het Spaarne en de Grote Markt werd op de hoek met de Damstraat een waaggebouw geplaatst (voor het eerst vermeld in 1390) en aan het Spaarne stond een kraan voor het laden en lossen van de goederen. De Damstraat vormde een belangrijke verbinding tussen het Spaarne en de Markt. Aan de Warmoesstraat stond de vleeshal (eerste vermelding 1408, maar deze zal er al eerder zijn geweest). De lakenhal werd voor het eerst vermeld in de draperiekeur van 1400, maar waar die stond is niet duidelijk. De Grote of Sint Bavokerk werd vanaf 1370 vernieuwd en vergroot, in 1483 kwamen het schip en de zijbeuken gereed en de bouw van de vieringtoren in 1520. De Sint Bavo was sociaal en ruimtelijk het baken in de stad en torende hoog boven de bebouwing uit. In de 14de en 15de eeuw werd een groot aantal kloosters, kerken en kapellen gebouwd.
De stedenbouwkundige structuur kende een informeel karakter met een afwisselend, gesloten straatbeeld met veel bochtige straten en unieke woonhuizen. Het kenmerkende silhouet van Haarlem, dat bestaat uit overwegend bebouwing van twee of drie lagen met kap, enkele kerktorens en in het hart van de stad het hoge schip van de Bavokerk, kent zijn oorsprong in deze periode.
Demografie van Haarlem in relatie tot enkele steden in het Westen van Nederland in 1300 en in 1400
Tussen 1300 en 1400 groeide de bevolking in Haarlem sterk. In 1400 was Haarlem samen met Dordrecht de op 2 na grootste stad in het westen van Nederland, na Utrecht (bron: Brand, 2010, p. 6).
Plattegrond van Haarlem rond 1560
Omstreeks 1560 maakte Jacob van Deventer deze kaart van Haarlem. De gele strook is de zandrug, het groen is het veen. Ten zuiden van de stad tekende Van Deventer De Hout, ten noorden van de stad is het leprozenhuis zichtbaar. Langs het Spaarne staat een groot aantal molens. De lakenramen voor de textielnijverheid staan in het zuidwesten van de ommuurde stad opgesteld (bron: de kaart Haarlem > Zweerink 2017 6).
Tussen 1580 en 1620 brak een periode van economische en demografische groei aan en verdichtte de stad. Immigranten uit de zuidelijke Nederlanden vluchtten naar het Noorden en vestigden zich onder meer in Haarlem. Het stadsbestuur ontving hen maar al te graag - ze brachten kennis en kapitaal mee - en stelde woon- en werkruimte ter beschikking. Het stadsbestuur hoefde daarbij niet lang te zoeken naar ruimte. Na de reformatie waren de voormalige kloosterterreinen overgedragen aan het stadsbestuur, die konden worden verkaveld. En in het zuidwesten van de stad lag binnen de stadsmuren nog een groot gebied waar de lakenramen stonden. Hierop werden de lakens gedroogd nadat ze waren geverfd. De ramen werden verplaatst naar terreinen buiten de stadsmuren zodat ook deze vrijgekomen grond kon worden uitgegeven. Voor de nieuwe gebieden werd een smalle, rechte verkaveling ontworpen, die nog altijd goed herkenbaar is op de stadsplattegrond.
Het stadsbestuur pronkte graag met de herwonnen welvaart. De uit Vlaanderen afkomstige architect Lieven de Key was de eerste stadsbouwmeester van Haarlem. Hij maakte prestigieuze ontwerpen voor een nieuwe waag (ca. 1599) aan het Spaarne, de vleeshal (ca. 1604) aan de Grote Markt en voor de nieuwe vleugel van het stadhuis aan de Zijlstraat (ca. 1620-1630). Ook kwam er op de Grote Markt een nieuwe vishal (ca. 1603). Op de plaats van de Annakerk ontwierp architect Jacob van Campen de Nieuwe Kerk (ca. 1645-1649). Lieven de Key had hiervoor in 1613 de toren ontworpen. De Haarlemse schildersschool was beroemd, met bekende namen als Frans en Dirck Hals, Salomon de Braij, Judith Leijster, Jacob van Ruijsdael en Adriaan van Ostade.
Plattegrond van Haarlem rond 1652, door Pieter Wils en gepubliceerd door Blaeu
In vergelijking met de plattegrond van Jacob van Deventer circa een eeuw eerder valt de sterke verdichting op. De vele kloosterterreinen zijn bebouwd geraakt, evenals het gebied voor de lakenramen in het zuidwesten van de stad (bron: Collectie Rijksmuseum).
De Grote Markt met de Sint Bavokerk, de Vleeshal en de Vishal (Gerrit Adriaenszoon Berckheyde, 1696)
(bron: http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.636571).
Na 1620 werd de aantrekkingskracht van handelsmetropool Amsterdam groter. Immigranten, en ook veel Haarlemmers kozen ervoor zich daar te vestigen en de bevolkingsomvang van Haarlem stagneerde. Vanaf 1642 werden op initiatief van het stadsbestuur verscheidene uitbreidingsplannen gemaakt. Pas in 1671 durfde het stadsbestuur het aan om het door Erasmus den Otter gemaakte, orthogonale uitbreidingsplan voor de Nieuwstad uit te voeren. Dat was een jaar voor het rampjaar 1672, waarin de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd aangevallen door Engeland, Frankrijk en de bisdommen Münster en Keulen. Na 1672 vielen de bouwactiviteiten zo goed als stil en de Nieuwstad bleef voor een deel onbebouwd.
Tussen 1672 en 1820 werd er nauwelijks gebouwd. Integendeel, op de kadastrale kaart die in 1822 van Haarlem is gemaakt, is te zien dat er bebouwing is gesloopt. In de zuidwesthoek en aan de randen aan de oostzijde zijn grote lege velden te zien. Er werden nog wel enkele hofjes, statige woonhuizen of andere complexen gebouwd, zoals Huis Sylvius (1725), Hofje van Staats (1730-1733), het Teylersmuseum (1740) en Paviljoen Welgelegen (1785-1789). Hoogteaccenten in de stedenbouwkundige structuur werden voornamelijk gevormd door publieke gebouwen, vooral kerktorens. Het gros van de bebouwing bestaat verder uit maximaal drie lagen met een kap.
De kadastrale kaart van Haarlem omstreeks 1822 (getekend door F.J. Nautz)
Tussen 1735 en 1850 daalde de bevolking van 45.000 naar 25.852 inwoners. De kaart toont veel lege plekken; veel bebouwing werd in die tijd gesloopt en de Nieuwstad is nog nagenoeg onbebouwd (bron: Collectie Frans Halsmuseum).
Begin 19de eeuw was Haarlem een van de eerste steden in Nederland waar de economie groeide. De functie als garnizoensstad en provinciehoofdstad was hiervoor een belangrijke impuls en ging gepaard met de bouw van een kazerne, gerechtshoven en een gevangenis. Aan de randen van de stad vestigden zich rond 1830 enkele katoenfabrieken.
De nationale regering gaf in 1821 toestemming om de vestingwerken te ontmantelen. Ook begon men met het dempen van onhygiënische stadsgrachten. Vanaf 1859 werden de Oude Gracht, Raaks, Wilhelminastraat, Nassaulaan en Parklaan gedempt. Tussen 1837 en 1859 werd overal in de stad straatverlichting met gaslantaarns aangebracht en de eerste gemeentelijke riolen werden aangelegd.
In 1839 werd de spoorlijn naar Amsterdam geopend, in 1842 gevolgd door de spoorlijn naar Leiden. Aanvankelijk lag het station buiten de Amsterdamse Poort, maar in 1842 werd het verplaatst naar de huidige locatie in de Nieuwstad. Haarlem is een van de weinige steden waar het station binnen de 17de-eeuwse vestingwerken is gerealiseerd.
In de tweede helft van de 19de eeuw nam de bedrijvigheid in de stad toe. Fabrieken vestigden zich met name langs de Leidsevaart, Zijlsingel, Kinderhuissingel en in de Nieuwstad, maar ook in de binnenstad waren nog veel fabrieken te vinden (tot in de jaren zestig zouden er verschillende fabrieken in de stad gevestigd blijven). Zo breidde gelddrukkerij Enschedé uit in de binnenstad. Na de opening van het Noordzeekanaal in 1876 vestigde veel industrie zich in de Waarderpolder, waar schaalvergroting plaatsvond.
Plan van aanleg voor het Hazepatersveld (Florapark en Floraplein) door L.P. Zocher, 1873 (bron: Collectie Noord-Hollands Archief inventarisnummer NL-HlmNHA_52000135).
De stad breidde in de 19de eeuw buiten de vesten uit. Als een van de eerste steden in de Nederlanden gaf het stadsbestuur opdracht tot de bouw van villaparken: het Frederikspark, Kenaupark, Ripperdapark en Florapark moesten de welgestelde burgers aan Haarlem binden. De parken werden opgezet volgens de ideeën van de Engelse landschapsstijl. De Koninginnebuurt en het Kleverpark waren ruim opgezette wijken voor de middenstand. Deze wijken verrezen op de hogere droge zandgronden ten noorden en zuiden van het centrum. De arbeiderswijken het Rozenprieel (ca. 1876), de Leidsebuurt (ca. 1880) en de Amsterdamse Buurt (start 1883) werden gebouwd op de natte veengronden ten oosten en westen van de binnenstad. Langs de Leidsevaart ontwierp Jos Cuypers in samenwerking met zijn vader Pierre Cuypers de imposante Kathedrale Basiliek Sint-Bavo (1895-1898) van het bisdom Haarlem-Amsterdam. De toename van bedrijvigheid en inwoners leidde tot verbetering van de infrastructuur. Straten werden verbreed en bruggen gebouwd. Eind jaren zeventig van de 19de eeuw reed de eerste paardentram door de stad. In 1871 verschenen de eerste leidingen voor transport van duinwater, alle openbare putten en pompen werden gesloopt.
Haarlem in 1904 (bron: Speet 2006, p. 48).
De Woningwet van 1901 had tot gevolg dat er structuurplannen moesten worden opgesteld. Ir. L.C. Dumont werd de eerste directeur van de dienst Gemeentewerken. Hij stelde al in 1905 het Algemeen Plan van Uitbreiding voor Haarlem op. Met name na de Eerste Wereldoorlog werden veel nieuwe arbeiderswijken gebouwd of voltooid, zoals de Amsterdamse Buurt, de Slachthuisbuurt, de Bomenbuurt en de Patrimoniumbuurt. Architect J.B. van Loghem ontwierp Tuinwijk-Zuid en -Noord, en Rosehaghe. In 1927 annexeerde Haarlem grondgebied van de gemeenten Schoten, delen van Spaarndam, Heemstede, Bloemendaal, Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Vlak hierna werden in het noorden de Planetenbuurt, Vogelbuurt, Vondelkwartier en Dietsveld gebouwd en aan de westkant de Zeehelden- en Geleerdenbuurt en Ramplaan. Ten zuiden annexeerde Haarlem de tot Heemstede behorende Haarlemmerhout en enkele wijken.
Zoals overal in Nederland probeerde het stadsbestuur na de Tweede Wereldoorlog het woningtekort snel op te lossen. Ruim opgezette wijken in het groen met modernistische strokenbouw zijn kenmerkend voor de wederopbouw. Uitgangspunt was het creëren van een groene woonomgeving voor iedereen. De woningen hadden een goed doordachte plattegrond, met ruime daglichttoetreding. Voorbeelden zijn Parkwijk (vanaf 1956), Sinnevelt (vanaf 1961), Delftwijk (vanaf 1962) en Schalkwijk (vanaf 1960). In deze periode verrees er voor het eerst hoogbouw op verschillende plekken rondom het historische centrum, zoals de Mariastichting (ca. 1971), Parkflat (ca. 1965) en Haarlem-Hoog (ca. 1962). In de rondom Schalkwijk geplande Groene Zoom werd eind jaren tachtig de wijk Romolen gebouwd, ook kwamen daar kantoren en een hotel.
Topografische kaart van Haarlem in 1921 (bron: Speet 2006, p. 4).
Het Haarlemse structuurplan uit 1962 ging uit van cityvorming. Dit betekende sloop van verouderde buurten ten behoeve van stadsvernieuwing, kantoren en winkels. Bereikbaarheid per auto was belangrijk en de aanleg van nieuwe infrastructuur had prioriteit. Van deze grootse plannen is maar weinig uitgevoerd. Bij het station kwam grootschalige bebouwing in de plaats van de fabriek van Beynes, aan de Grote Markt kwam het complex Brinkmann en aan de Raaks winkels met een grote parkeergarage. Bedrijvigheid trok uit de binnenstad, deels om zich te vestigen in de Waarderpolder en aan de stadsranden. Rondwegen en verbreding van de bestaande infrastructuur moesten de verkeersproblemen oplossen. Vanaf begin jaren zeventig van de 20ste eeuw kwamen stadsbewoners in opstand tegen de grootschalige saneringsplannen van de gemeente. De bewoners van het Rozenprieel en van de Vijfhoek verzetten zich als eerste tegen de sloop van hun buurten. Er vond een verandering plaats in de omgang met de bestaande stad. Dit resulteerde in 1990 tot de aanwijzing van het centrum tot beschermd stadsgezicht. Het ruimtelijke beleid van de gemeente is er sindsdien op gericht de karakteristieken van de binnenstad te behouden. Een belangrijke ingreep was het autovrij maken van de Grote Houtstraat, Gierstraat, Anegang, Spekstraat, Barteljorisstraat en Grote Markt ten behoeve van de 'levendigheid van het Haarlemse hart.' Ook het Spaarneplan borduurt voort op de cultuurhistorische waarden en is er op gericht het stadsbeeld te verbeteren. Van 1994 tot 2005 werd het terrein van drukkerij Enschedé naast de Grote Markt getransformeerd tot een gebied met een rechtbank, schouwburg, hotel, kantoren en parkeergarage.
Topografische kaart van Haarlem in 2013 (bron: Bas Schout).
| 1300 | 1400 | 1560 | 1620 | 1670 | 1735 | 1795 | 1850 | 1940 | 1970 | 2000 | |||||||||
| 2000 | 7500 | 16.000 | 39.455 | 38.000 | 45.000 | 21.227 | 25.852 | 142.686 | 172.235 | 148.484 | |||||||||
Bevolkingsomvang van Haarlem tussen 1300 en 2000 (uit: Brand 2010, pp. 65-71 en Lourens 1997). Van de periode vóór 1300 zijn geen betrouwbare bevolkingsgegevens bekend.
De automobilist die de A9 vanaf het noorden afrijdt en even moet wachten bij het stoplicht van het Rottepolderplein, kan over de spoorlijn naar Haarlem kijken en ziet dan de Grote of Sint Bavokerk al boven de huizenmassa uittorenen. Hetzelfde geldt voor degene die de Zijlweg afrijdt richting het centrum, of die zich bevindt op een van de andere zichten of panorama's vanuit de omgeving op de stad, zoals de duinen van Bloemendaal. Het is een iconisch beeld: het stedelijk weefsel dat overwegend bestaat uit twee of drie bouwlagen met een kap, de torens van de Bakenesserkerk, Nieuwe Kerk, Janskerk en boven alles uit het gigantische schip met vieringtoren van de Grote of Sint Bavokerk.
Dat beeld is in de jaren zeventig van de 17de eeuw al vastgelegd door schilder Jacob van Ruisdael in zijn schilderij het Gezicht op Haarlem met Bleekvelden. Onder de hoge wolkenlucht legde hij de bleekvelden vast, en aan de horizon het silhouet van Haarlem. Hoewel ook molens en enkele publieke gebouwen zoals de stadspoorten en het stadhuis zich nadrukkelijk manifesteren, zijn het vooral de kerken die het beeld bepalen en ruimtelijk uitdrukking geven aan de pre-industrieel maatschappelijke orde.
Het bijzondere aan Haarlem is, dat het stadsilhouet alleen is veranderd aan de randen van de oude stad en daar buiten, waardoor het karakteristieke beeld vanaf de lange zichtlijnen nog zo goed beleefbaar is. Vanaf het eind van de 19de eeuw verschenen er industriegebouwen, waarbij de inmiddels grotendeels weer verdwenen gashouders en schoorstenen dominant waren. Ook de nieuwe kathedraal ten zuidwesten van de stad trekt de aandacht. De schaal van deze Sint Bavokerk kan concurreren met de Grote of Sint Bavokerk, maar hij blokkeert het zicht er op niet; een verrijking van het stadssilhouet. Rond 1900 verrees de Koepelgevangenis aan de noordoostkant van het centrum, wat het silhouet opnieuw veranderde maar het zicht op het centrum niet ingrijpend aantastte.
De cityvorming aan het eind van de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw, met de realisatie van bankgebouwen, postkantoren en warenhuizen, leidde tot een zekere schaalvergroting maar niet tot een schaalsprong in de hoogte. De enige uitzondering die de regel bevestigt is het voormalige V&D gebouw, waarvan het dakterras een indrukwekkend uitzicht biedt op de historische stad.
Bakens Haarlem (bron: Bas Schout).
Verder blijft Haarlem toch vooral laag. Veel grondgebonden woningen en enkele kerken bepalen het beeld, zoals in Haarlem-Noord. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde dit.
Vooral buiten het historisch centrum maar ook binnen de bestaande stad werd op verschillende plekken met modernistische gebouwen bewust gebroken met de schaal en het weefsel van de historische omgeving, waarbij de bebouwing doorgaans vrij in de ruimte staat. Denk daarbij bijvoorbeeld aan Haarlem Hoog (Van Leeuwenhoekpark), de Parkflat Zuiderhout, het gebouw van Fluor Schuytvlot (nu bekend als het 'Bruynzeelgebouw') op de hoek Schalkwijkerstraat en de Schipholweg, en het Bougiegebouw dat het beeld bepaalt voor wie vanaf de N200 Haarlem binnenrijdt. In de naoorlogse uitbreidingswijken Sinnevelt, Delftwijk, Parkwijk en Schalkwijk wordt hoogbouw toegepast aan de rand, ook in het groen.
De hoogbouw die vanaf de 19de eeuw op diverse plekken rondom het historische hart van Haarlem gerealiseerd is, heeft het iconische beeld van de middeleeuwse stad in tact gelaten: kleinschalig stedelijk weefsel, enkele verfijnde kerktorens en één kolossale kerk met vieringtoren. Dit is een van de identiteitsdragers en kernkwaliteiten van de stad, dat van groot belang is voor de samenhang en ruimtelijke identiteit van de stad.
Ondanks de groei van Haarlem in de loop der eeuwen, is het pre-stedelijke cultuurlandschap op sommige plekken nog te zien en te beleven, zoals in het buitengebied bij Spaarndam en in de binnenduinrand. Het stratenpatroon in de binnenstad lag er reeds in de late Middeleeuwen.
De structuur van Haarlem is sterk bepaald door de noord-zuid lopende strandwal. De belangrijkste infrastructuur is noord-zuid georiënteerd en de uitbreidingen hebben zich in noordelijke en zuidelijke richting voltrokken. Van oudsher bestaat er een duidelijk onderscheid tussen de chique buurten op het zand en de arbeiderswijken op het veen. De hoger gelegen strandwal en de lager gelegen open veengebieden zorgen ervoor dat er op veel plekken in en buiten het centrum goed zicht is op het silhouet van de stad. Ook is er goed zicht op het stadssilhouet vanaf de hoge duinen in Bloemendaal. De Grote Markt is vanaf het ontstaan in de late middeleeuwen tot nu het centrum van de stad gebleven, ondanks de vele stadsuitbreidingen. De meeste historische structuren zijn vrijwel ongewijzigd en daardoor nog duidelijk herkenbaar.
Van Ruisdael, Gezicht op Haarlem met bleekvelden, ca. 1670 (bron: Collectie Rijksmuseum http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.5329).
Hendrick Cornelisz Vroom, gezicht op Haarlem vanaf het Noorder Buiten Spaarne, ca. 1625 (bron: Collectie Frans Hals Museum Haarlem).
Historische binnenstad vanaf het voormalige V&D-gebouw richting noorden, foto 2018 (bron: Foto Margreet Temme, 2018).
'Haarlem Hoog', ontwerp P.R. Bloemsma 1959-1961, foto 1964
(bron: Anoniem, Noord-Hollands Archief collectie Kennemerland, NL-HlmNHA_54001589).
Breuk in schaal en hoogte bij de 'Nieuwbouw' van de Mariastichting, uitgevoerd in 1969 Op de voorgrond is het tuinpaviljoen zichtbaar, ontworpen door Abraham van der Hart uit 1801 als onderdeel van de voormalige buitenplaats Bellevue aan de Kleine Houtweg. (bron: Cees de Boer, Noord-Hollands Archief collectie Fotoburo de Boer, NL-HlmNHA_1478_5307).
Beeld van hoogbouw langs de Aziëweg, ontwerp Ch. van Heelsbergen, uit 1966 (bron: Verkeerspolitie, Noord-Hollands Archief collectie Kennemerland, NL-HlmNHA_Hrlm_18067).
Hoogbouw langs de Aziëweg gezien vanaf het oosten, 1975 (bron: Jos Fielmich, Noord-Hollands Archief collectie Kennemerland, NL-HlmNHA_JosF19760518_438).
In dit hoofdstuk worden vijf belangrijke historische thema's behandeld die de ruimtelijke geschiedenis van Haarlem hebben bepaald. Samen met het stuk over de ontwikkelingsgeschiedenis vormen die thema's het narratief van de stad, een narratief dat strategisch ingezet kan worden op belangrijke momenten of als onderbouwing van bepaalde keuzes. Het zijn de verhalen die de bevolking binden aan de stad en aan elkaar, en die bezoekers aanspreken en helpen betekenis te geven aan de wijken, buurten, structuren en objecten. Het zijn de narratieve dragers van de cultuurhistorische hoofdstructuur en vormen een aanvulling op de ruimtelijke gebiedsbeschrijvingen van hoofdstuk 4. Op de kaart met markante plekken zijn per thema 3 punten aangegeven, die illustratief zijn voor de vijf thema's van Haarlem.
Kaart met illustratieve plekken voor de thema's
Elke dag stromen de perrons van station Haarlem vol met reizigers. Forenzen, scholieren, dagjesmensen. Het jugendstil stationsgebouw van Haarlem biedt genoeg om naar te kijken voor wie even moet wachten. Zo zit er in de gevel een tegeltableau dat de Bond van Gepensioneerden aan de spoor- en tramwegen heeft aangeboden ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de spoorwegen.
De eerste trein van Nederland reed in 1839 van Amsterdam naar Haarlem. Een vrolijke menigte zwaaide de trein uit in Amsterdam, er klonk muziek. De voorste van de twee locomotieven raakte onderweg naar Haarlem los, wat voor enig oponthoud zorgde. Maar desondanks hadden de hoogwaardigheidsbekleders en verslaggevers een aangename rit. 'De rijtuigen zijn alle ruim en gemakkelijk te rijden', schreef de journalist van de Overijsselsche Courant. Je kon zelfs lezen of schrijven tijdens het rijden. Op het oude station, vlakbij de Amsterdamse Poort, kwam de trein na zo'n 35 minuten aan; vele malen sneller en comfortabeler dan welk vervoermiddel dan ook.
Het tegeltableau uit 1939 op het station van Haarlem
Route binnendunen
In de late middeleeuwen lag Haarlem centraal in het netwerk van waterwegen door Holland.
De trein was een van de vele infrastructurele vernieuwingen die Haarlem bereikbaar maakten. De eerste 'Haarlemmers' vestigden zich in de 10de eeuw op de strandwallen; droog op het zand en langs de noord-zuid georiënteerde weg, die het gebied rond Leiden en dat van Alkmaar met elkaar verbond. In het overwegend natte en daardoor over land slecht toegankelijke Hollandse landschap vormden de strandwallen van oudsher belangrijke en strategische verbindingsaders tussen noord en zuid. Vaak zijn (delen van) deze oude landwegen nog herkenbaar in de naam 'Here(n)weg'. Samen met de oost-west lopende Zijlweg en Kleverlaan zorgde de weg langs de binnenduinrand van meet af aan voor een goede bereikbaarheid over het land; in het waterrijke Holland was dat heel bijzonder en van groot strategisch belang.
In oost-westelijke richting liep een voetpad van Zandvoort naar Haarlem dat werd gebruikt door vislopers die met een karakteristieke hoge mand (kriel genaamd) op de rug hun handel naar de markt in Haarlem brachten. Waar het voetpad en de weg langs de binnenduinrand elkaar kruisten, aan de voet van het hoge duin genaamd De Blinkert, bevond zich een uitspanning: Kraantje Lek. Ongeveer op de plek van het pad dat de vislopers gebruikten, ligt nu het voet- en fietspad dat door de duinen naar Zandvoort leidt. Kraantje Lek is nog altijd een populaire horecagelegenheid in Overveen, evenals 't Wapen van Kennemerland dat ook wel 'De Stinkende Visemmer' werd genoemd, naar de visemmers die de visvrouwen er buiten neerzetten op hun weg terug van de markt in Haarlem naar Zandvoort.
Ook over water was Haarlem goed bereikbaar. In het waterrijke Holland ging het belangrijkste goederenvervoer via het water. Het Spaarne was aanvankelijk een veenstroompje, maar ging in de tweede helft van de 13de eeuw deel uitmaken van het Hollandse netwerk van waterwegen. Riviertjes en meren in Holland kwamen in die tijd met elkaar in verbinding te staan, waardoor het mogelijk werd heel Holland door te varen. Holland groeide in de 14de eeuw uit tot een verbindende schakel tussen de handelsmetropolen van dat moment, het Rijnland, Vlaanderen en de Oostzee. Haarlem lag gunstig op de officiële vaarroute voor handelslieden, de zogenoemde 'gecostumeerde route Binnendunen'. Deze liep van de Maas bij Dordrecht, via Gouda naar Haarlem en van daar naar het IJ. De graven van Holland hieven er op verschillende plekken tol, onder meer bij Spaarndam.
Het in de middeleeuwen aanwezige netwerk van land- en waterwegen veranderde gedurende enkele eeuwen nauwelijks en vormde het raamwerk voor latere ontwikkelingen. Op de belangrijke infrastructurele knooppunten en bij grenzen of overgangen ontstonden concentraties van activiteiten: juist op die plekken ontwikkelde zich de handel, de productie, het bestuur en het religieus en maatschappelijk leven. De Grote Markt is hier een levendig voorbeeld van. De trekvaart van Haarlem naar Amsterdam, die voor personenvervoer bedoeld was, werd in 1630 geopend en maakte onderdeel uit van het trekvaartensysteem in Holland.
De trekvaart op Leiden volgde in 1640. De trekvaarten waren voor die tijd een modern, efficiënt en goedkoop vervoerssysteem. De aanleg ervan was revolutionair en Holland liep hierin voorop. De trekschuit naar Amsterdam kostte vijf stuivers, de koets maar liefst 22. Sommige waterverbindingen verloren in de loop der tijd hun oorspronkelijke transportfunctie geheel of gedeeltelijk, zoals Het Spaarne als handelsroute en de trekvaarten voor personenvervoer. Toch zijn deze waterhuishoudkundig en recreatief van groot belang voor de stad gebleven.
Kaart met de infrastructuur in het westen van Nederland in 1700
De rechte trekvaarten tussen Amsterdam, Haarlem en Leiden zijn duidelijk zichtbaar.
De trekschuit van Amsterdam naar Haarlem, bij het begin van de Haarlemmerweg in Amsterdam, Reinier Nooms, 1652-1654.
Kaart met daarop de trekvaarten naar Amsterdam en Leiden
Nadat er in de 18de eeuw weinig aan verbetering van de infrastructuur was gedaan, kreeg men in de 19de eeuw de smaak te pakken. Hoewel de drooglegging van de Haarlemmermeer de bereikbaarheid over het water verslechterde, profiteerde Haarlem wel mee van het in 1876 geopende Noordzeekanaal. Langs het Spaarne vestigde zich toen industrie. In deze periode werden Amsterdam, Haarlem, Leiden, Den Haag en Rotterdam via verharde rijkswegen met elkaar verbonden, wat wegtransport veel sneller en goedkoper maakte. In Haarlem volgden deze wegen de bestaande tracés langs de strandwal, en bleven vooral noord-zuid georiënteerd. Vanaf 1930 werd het rijkswegenstelsel verder verbeterd en werd een provinciale weg naar Schiphol aangelegd.
Revolutionair was het reeds genoemde spoorwegennet. Tussen 1839 en 1847 kwam een 'rondje tussen de grote steden in het westen van Nederland tot stand. Het spoor lag evenwijdig aan de trekvaarten naar Amsterdam en Leiden. Nadat de lijnen tussen Haarlem, Amsterdam en Leiden waren geopend, kwamen er ook verbindingen tot stand met Den Helder en Zandvoort. De spoorlijnen bepaalden het stratenpatroon van de wijken ernaast. Het tijdelijke station bij de Amsterdamse Poort werd opgevolgd door het stationsgebouw in het noorden van de stad, binnen de vesting. Maar omdat het een obstakel werd voor het toenemende verkeer, kwam er aan het begin van de 20ste eeuw een verhoogd station met aan weerszijden viaducten. Zoals alle grootschalige infrastructuur vormt het spoor zowel een structurerend en verbindend element als een barrière op lokaal niveau.
De aanleg van de spoorlijnen in de 19de eeuw
De allereerste spoorlijnen zijn in groen weergegeven. Haarlem maakte onderdeel uit van het rondje dat de grote steden in het westen van Nederland met elkaar verbond.
In de regio reden aan het begin van de 20ste eeuw ook trams, en langs de trambanen werden herenhuizen en villaparken gebouwd. Dit netwerk was echter geen lang leven beschoren; vanaf 1928 werd het langzaamaan opgeheven vanwege de opkomst van de bus en het autoverkeer. De laatste Haarlemse tram reed in 1957 van Haarlem naar Zandvoort.
Vanaf 1960 werd het autoverkeer steeds belangrijker ten opzichte van het vervoer over water en spoor. De routes over de strandwal voldeden niet meer. Aan de westkant werd een randweg aangelegd en enkele jaren later werd de stad aan de oostzijde aangetakt op de autoweg. De ontwikkeling van de Randstedelijke infrastructuur zorgde voor een wat decentrale positie van Haarlem. De rijkswegen A4 en A9 lopen op enige afstand van de stad. De kortste treinverbinding tussen Amsterdam en Rotterdam loopt tegenwoordig via Schiphol en niet meer langs Haarlem. De goede verbindingen met Amsterdam zijn vanaf de 17de eeuw een nadeel geweest omdat daarmee veel functies en inwoners naar Amsterdam trokken, maar heeft er ook toe geleid dat Haarlem bereikbaar was als prettige woonstad, met name voor beter gesitueerden. Eerst met de buitenplaatsen, daarna met de villaparken en tegenwoordig trekken veel jonge mensen uit Amsterdam naar Haarlem. De perifere positie maakt Haarlem misschien extra aantrekkelijk als woonstad, maar ook als werkstad voor bijvoorbeeld provincieambtenaren en voor dagjesmensen en scholieren uit de regio.
Kaart met openbaar vervoer in de jaren 1920
Kaart van de infrastructuur in de Randstad in 1940
Kaart Randstad in 2000
In 1940 lag Haarlem nog centraal in het infrastructurele netwerk van de Randstad. In 2000 ligt Haarlem perifeer in dit netwerk.
Droste chocolade, speciaal bier van Jopen en Uiltje, plastic flesjes van Dopper, Haarlemmer olie en drukwerk van Joh. Enschedé: typisch Haarlemse producten, al zullen misschien niet alle Haarlemmers zich daar bewust van zijn. De stad zit vol verwijzingen naar de producten die hier gemaakt en verhandeld werden - en worden. De meeste Haarlemmers lopen wel eens langs de Jopenkerk en zien daar de brouwinstallaties staan. We kennen de Brouwersvaart, de Lakenkopersstraat en de Beijneshal. Jaarlijks komt het bloemencorso de stad ingereden vanuit de bollenstreek. Bovendien gaan de meeste Haarlemmers wel eens naar een van de markten in de binnenstad of in Schalkwijk. Haarlem is niet alleen een forenzenstad en de provinciale hoofdstad, maar ook een marktstad en een maakstad.
Jopenkerk
Vanaf de 10de eeuw nam de bevolking bij 'Haralem' toe en vanaf de 13de eeuw tot ver in de 17de eeuw ontwikkelde deze plaats zich tot het marktcentrum van Kennemerland. Ter hoogte van de huidige Grote Markt kwamen regionale verbindingswegen bij elkaar, daar werden producten uit de omgeving verhandeld. Je kon er o.a. vis, boter, vee, hooi, turf, bier, brood en textiel krijgen. Kleine oost-west lopende straatjes verbonden de Grote Markt met het Spaarne, waar veel goederen werden aangevoerd op bierschuitjes, schelp-, zand-, turfschepen. In de 17de eeuw kwamen er behalve de Grote Markt ook tal van gespecialiseerde markten in Haarlem, zoals de Koemarkt en de Ossenmarkt (later Botermarkt genoemd); langs het Spaarne waren er markten voor turf, hout, stro, appels, kaas, groenten en varkens. In vergelijking met Hollandse steden zoals Leiden, Dordrecht of Gouda heeft Haarlem veel marktpleinen. In de Gouden Eeuw ontwierp stadsbouwmeester Lieven de Key een statige vleeshal en een waag.
In Haarlem werd in deze periode niet alleen gehandeld, er werd ook van alles geproduceerd. De textielnijverheid bijvoorbeeld, waar veel gevluchte Vlamingen werkten, was te vinden in het zuidwesten van de stad, rondom de Voldersgracht en de Raamgracht. De blekerijen lagen buiten de stad. Net als de blekers maakten ook de bierbrouwers gebruik van het schone water dat dankzij de duinen ruim voorradig was en via de Brouwersvaart werd aangevoerd – al zaten die beide industrieën elkaar ook geregeld in de weg: de blekerijen vervuilden het water terwijl de brouwers juist het schone drinkwater hard nodig hadden. Toch deed de bierindustrie het eeuwenlang erg goed in Haarlem. Aan het eind van de 15de eeuw waren er wel 100 brouwerijen aan het Spaarne en de Bakenessergracht; de brede en lange percelen herinneren daar nog aan. Ook kende Haarlem veel scheepsbouw, met werven langs de Scheepsmakersdijk en Spaarnwouderstraat. Ook Haarlemmer olie en de pottenbakkerij vormden grote industrieën, met als beroemdste de plateelbakker Verstaeten. Andere pijlers van de Haarlemse economie waren vanaf de 17de eeuw de boekdrukkerij en de teelt van bloemen en bloembollen aan de rand van de duinen.
Met de sterke opkomst van Amsterdam als handelsmetropool vanaf de 16de eeuw verslechterde de positie van Haarlem in het interregionale handelsnetwerk langzamerhand. Handel, nijverheid en bevolking vestigden zich steeds meer in de nabijgelegen stad. Wel bleef de functie als regionaal marktcentrum overeind.
De stad oefende bovendien grote aantrekkingskracht uit op schilders als Maarten van Heemskerck, Adriaen van Ostade, Jacob van Ruisdael, Judith Leyster en Frans Hals. Schilders waren verenigd in het Sint Lucas Gilde. De stad was op het gebied van schilderkunst in de Noordelijke Nederlanden enige tijd toonaangevend. Een aantal schilders liet zich door het landschap rond de stad inspireren en maakte zeegezichten, duinlandschappen, winterlandschappen en stadsgezichten. Ook op het gebied van de wetenschap onderscheidde Haarlem zich, met inwoners als Pieter Teyler van der Hulst die een verzameling aanlegde op zowel het terrein van de kunst als van de wetenschap, en later natuurkundige Hendrik Antoon Lorentz. Haarlem kende daarbij tevens een rijke traditie op het gebied van architectuur. Bekende architecten en landschapsarchitecten als Lieven de Key, Jacob van Campen, Leendert Viervant en Abraham van der Hart bouwden in de stad en sinds de 17de eeuw kent Haarlem een ononderbroken traditie van de stadsbouwmeester.
Kaartje met de situering van de Haarlemse brouwerijen in 1543
Romeyn de Hooghe, Gezicht op de Waag te Haarlem (1688-1689)
Gezicht op de Waag aan het Spaarne, met vele handelaars die hun koopwaren per boot of ton naar Haarlem brengen.
Toen de economie van Haarlem in het begin van de 19de eeuw verder terugliep, haalde Koning Willem I een aantal textielfabrikanten uit de zuidelijke Nederlanden over om zich hier te vestigen. Er stonden fabrieken aan de Garenkokerskade, op het Muizenveld, aan de Phoenixstraat en Leidsevaart en tegenover het Centraal Station. Niet alle fabrieken staan er nog, maar de plekken zijn nog herkenbaar aan de grootschaliger korrel van de stad en soms in de straatnamen.
De opening van het Noordzeekanaal in 1876 gaf de economie een nieuwe impuls. De economie werd nog gedifferentieerder; metaalindustrie, scheepsbouw en Droste werden belangrijke economische pijlers. Langs het Spaarne in de Waarderpolder werden grote fabrieken gebouwd, waaronder de iconische cacao- en chocoladefabriek van Droste. Verder vestigden zich hier vooral veel metaalfabrieken. In het kielzog daarvan kwamen arbeiderswijken tot ontwikkeling rondom de binnenstad en vaak in de directe nabijheid van de industrie, zoals de Amsterdamse-buurt bij de spoorwerkplaats en de Transvaalbuurt nabij de bedrijven aan het Spaarne (destijds in de gemeente Schoten). Kleinschalige nijverheid bleef veelal gevestigd in de woonwijken.
Vogelvlucht van het Noordzeekanaal tussen Amsterdam en de Noordzee, waarmee Haarlem was verbonden
De stad profileerde zich als voorzieningencentrum voor de omgeving, met winkels voor kleding en luxe goederen. Dagjesmensen kwamen met de trein, winkels en warenhuizen vestigden zich langs van oudsher belangrijke routes als de Grote Houtstraat, Jansstraat en de Zijlweg. In en rondom de Haarlemmerhout waren veel tapperijen en hotels te vinden.
Nog altijd staat de Haarlemse binnenstad bekend om het rijke winkelaanbod met speciaalzaken, gecombineerd met restaurants en cafés. Haarlems speciaalbier is een gewild streekproduct. In de straatnamen herkent men de markten en ambachten van weleer. Met name in de Waarderpolder wordt nog steeds van alles geproduceerd, zowel op grootschalige wijze als meer ambachtelijk, zoals in het MAAK Haarlem complex dat is gevestigd in de vroegere gemeentewerf aan de Oudeweg. Haarlem is op een gemoedelijke manier zowel marktstad als maakstad gebleven.
Deze vogelvlucht uit 1906 was bedoeld om het toerisme naar Haarlem te stimuleren. Naast de belangrijkste hotels en markante gebouwen, zijn ook de belangrijkste fabrieken in kaart gebracht.
De Drostefabriek in de Waarderpolder (foto uit 1923)
De Droste chocoladefabriek ná de bouw van de 1e fase van het hoofdgebouw.
Als je door de Korte Begijnenstraat loopt, passeer je een moderne bakstenen gevel met goudkleurige vlakken, gevelstenen en ramen in allerlei afmetingen. Een modern glas-in-loodraam in de gevel lijkt wel een striptekening. Het is de buitengevel van het Joh. Enschedéhof, gebouwd in 2007. Er wonen twee echtparen en acht alleenstaande dames aan een gemeenschappelijke tuin. Via een deur is het moderne Joh. Enschedéhof verbonden met het oudst bekende en nog bestaande hofje van Haarlem, de Bakenesserkamer uit 1395. Traditie en innovatie staan hier rechtstreeks met elkaar in verbinding.
Als je er eenmaal op gaat letten, zie je in de Haarlemse binnenstad overal hofjes. De opzet, schaal en architectonische detaillering van de hofjes verschilt maar het principe is heel herkenbaar: kleine huisjes in een meestal gesloten bouwblok zijn via een gemeenschappelijke tuin elk individueel ontsloten. De tuin kende vroeger gemeenschappelijke voorzieningen als een moestuin en een waterpomp. De rijk ingerichte regentenkamers met namenborden en portretten van stichters en regenten laten zien hoe hiërarchisch hofjes werden bestuurd.
Hofjes zijn intieme, verstilde plekken in de stad. Als je door de poort loopt, beland je in een groene binnenwereld waar je vergeet dat je midden in de drukke, stenige binnenstad bent. Ze kunnen op veel belangstelling rekenen: de hofjeskrant, hofjeswandelingen en hofjesconcerten vinden gretig aftrek. Maar dat was niet het doel van de hofjesbouwers.
In Haarlem heeft de zorg van kerk, gilde, stedelijke overheid, werkgever en overheid voor wonen, ziekenzorg en zielenheil een belangrijk stempel op de stad gedrukt. Haarlem is een stad waar altijd gebouwd is voor minder vermogenden, zieken en anderen die zorg nodig hadden. Het is een zorgzame stad. In Haarlem zijn er tussen 1395 en nu 43 hofjes gesticht, waarvan er nog 21 als hofje worden gebruikt. Daarnaast kende Haarlem van oudsher ook veel grote kloosters en gasthuizen. De hofjes waren rustige woonvormen voor een homogene groep die zelfstandig nauwelijks aan een veilige woning kon komen, vooral alleenstaande vrouwen. Kloosters verzorgden daarbij ook zieken en boden onderdak aan pelgrims. Gasthuizen waren bestemd voor onderdak aan reizigers en later ook voor het verplegen van arme zieken en het verzorgen van oude van dagen.
Het Joh. Enschedéhof
Kloosters en gasthuizen werden in de 13de eeuw vooral gesticht door adellijke families, vaak op hun eigen land in het centrum. Onder invloed van de Moderne Devotie in de late 14de eeuw inspireerde het geloof naast de kerk ook het stadsbestuur, burgers en gilden om voor de armen te zorgen. In de nieuwe wijken en aan de stadsrand verrezen tientallen kloosters en gasthuizen in die tijd: omvangrijke terreinen met boomgaarden en kruidentuinen.
De reformatie, die er voor zorgde dat de katholieke kerk geen rol meer speelde, leidde tot een transformatie van de stadsplattegrond. Kloosters werden herbestemd tot marktplein, Latijnse school, weeshuis of er werden woningen gebouwd op het kloosterterrein. De elite van de stad bleef na de reformatie hofjes bouwen. Ze hadden toen nog een gesloten en bescheiden voorkomen en slechts een sober poortje verraadde hun aanwezigheid. Pas in de 18de eeuw werd er meer aandacht besteed aan de herkenbaarheid van hofjes door ze op zichtlocaties te bouwen, als pronkstuk ter ere van de stichter. Het stadsbestuur gaf opdracht tot de bouw van tehuizen voor wezen, en voor armlastige (oude) vrouwen en mannen. Zoals het Oude Mannenhuis aan het Groot Heiligland, waar tegenwoordig het Frans Halsmuseum is gevestigd, of het armenhuis aan de Koudenhorn.
De gasthuizen kregen in de loop der tijd steeds meer de functie van verpleeghuis of verzorgingshuis. Het Dolhuis werd in het vroegere Leprooshuis buiten de stad gehuisvest en gebruikt voor pestlijders en geesteszieken. De ziekenzorg werd vanaf de 18de eeuw stapsgewijs steeds grootschaliger georganiseerd, wat in 2015 uiteindelijk resulteerde in één grote ziekenhuisorganisatie met meerdere vestigingen in de regio: het Spaarne Gasthuis. Er zijn vestigingen in Heemstede, Hoofddorp, Haarlem Zuid en Haarlem Noord.
Joost Swarte, Joh. Enschedéhof
De kerken vervulden een maatschappelijk centrale rol en waren dominant in het stadsbeeld en de stedenbouwkundige structuur van woonwijken. Tot de oudste kerken van voor de reformatie behoorden de Grote- of Sint Bavo, de Janskerk, de Waalsekerk en de Bakenesserkerk. Na de reformatie werden deze gebouwen geschikt gemaakt voor de protestante eredienst. Ook werden nieuwe kerkgebouwen specifiek voor protestantse eredienst gebouwd, zoals de Nieuwe Kerk. Soms werden ze ontworpen als schuilkerk, zoals de Lutherse kerk, de Doopsgezinde kerk en de Grote Vermaning. En vanaf het midden van de 19de eeuw verschenen weer nieuw katholieke kerken als de Jozefkerk, Sint-Antoniuskerk, Groenmarktkerk en de Kathedrale Basiliek Sint Bavo.
Kaart met de hofjes in Haarlem
Kloosters in Haarlem
Investeren in de woningbouw voor de allerarmsten was in Haarlem – net als in een aantal andere Hollandse steden – sinds de Middeleeuwen voor private weldoeners iets om trots op te zijn. Na de industrialisatie, een periode waarin arbeiders voor de huisvesting en eventuele sociale voorzieningen op werkgevers aangewezen waren, nam in de 20ste eeuw geleidelijk de moderne verzorgingsstaat die functie over en werd het hofje een stedelijke woonvorm voor alleenstaanden in de sociale huursector. In het interbellum werd door nieuw opgerichte corporaties op grotere schaal huisvesting gerealiseerd in de vorm van zorgvuldig ontworpen tuinwijken. Hierbij begon de verzuiling zichtbaar te worden. Zo ontwierp de socialistische architect J.B. van Loghem in opdracht van diverse woningbouwverenigingen de wijken Rosehaghe, Tuinwijk-Zuid en Huis ter Cleef. De Patrimoniumbuuurt werd gerealiseerd door een gereformeerde corporatie.
In het hedendaagse bouwen voor kwetsbare groepen blijft de typologie van het hofje actueel; als antwoord op de behoefte aan kleinere huisvesting voor bijvoorbeeld alleenstaanden, starters en ouderen. Het Joh. Enschedéhof laat zien wat de moderne variant inhoudt. In opdracht van de regenten van het naastgelegen hofje Bakenesserkamer en woningcorporatie Ymere ontwierpen architect Henk Döll en vormgever Joost Swarte op de plek van de vroegere drukkerij Joh. Enschedé een veelgeprezen ontwerp voor een nieuw hofje dat opgaat in het weefsel van de historische stad. Waar de hofjesbewoners voorheen naar de pomp in de tuin liepen om water te halen en daar een praatje maakten, ontmoeten ze elkaar nu in de gemeenschappelijke wasmachineruimte.
Tuinwijk-Zuid ontworpen door J.B. van Loghem (circa 1922), foto uit 1949
De bekendste Haarlemse vrouw is waarschijnlijk Kenau Simonsdochter Hasselaer, de 'mannin van Haarlem'. Zij is zo beroemd dat haar naam symbool staat voor een categorie van vrouwen: de lastige, strijdbare, sterke vrouw. Kenau speelde een belangrijke rol in het beleg van Haarlem toen de stad zich, onder leiding van geus Wigbolt Ripperda, zeven maanden lang verdedigde tegen de Spanjaarden. Kenau maakte als scheepsbouwer en houthandelaar de bouw van een galei mogelijk en ze hielp bij het herstel van de stadsmuren. Bovendien vocht Kenau volgens ooggetuigen actief mee. Ze zou volgens de overlevering aan het hoofd hebben gestaan van 300 vrouwen die met kokend water en gesmolten pek vanaf de stadsmuren de vijand verjoegen. Toch moest de stad zich na zeven maanden overgeven. Ripperda werd onthoofd, Kenau vluchtte de stad uit om er jaren later als scheepsbouwer terug te keren.
Belegering der Spaensen / Vicit constantia fatum / van 1572 en 1573 - Strijd van Kenau bij de verdediging van Haarlem - Historieprenten Provinciale Atlas
Dat was niet de enige keer dat Haarlem een rol speelde in de strijd om de macht in de regio. Het begon al in de 12de eeuw, toen de graven van Holland hier een versterkte hof vestigden. Vermoedelijk lag deze nabij de plaats waar nu het stadhuis gevestigd is, maar er zijn nooit resten van gevonden. Vanuit deze strategische plek konden ze hun machtspositie, die oorspronkelijk rond Leiden lag, uitbreiden naar het noorden.
Toen de inwoners van Haarlem in 1245 stadsrechten kregen, werden ze vermoedelijk beschermd door een stadsgracht of -wal, al zijn ook daar nooit sporen van gevonden. Met de grootschalige uitbreidingen in de 14de en 15de eeuw moesten de verdedigingswerken verlegd worden. De westelijke en zuidelijke uitbreidingen werden omringd door een hoge muur en een brede gracht. De uitbreidingen aan de oostkant van het Spaarne werden beschermd door de Burgwal. In 1426 kwam er een stadsmuur langs de Lange Herenvest en de Papentorenvest bij. Aan de westkant werd een waterpoort gebouwd om de toegang tot de stad via de Haarlemse beek te bewaken. 's Nachts werd de doorvaartopening in de poort afgesloten met een ketting: een raaks.
Bij uitbreidingen werden de voormalige vesten steeds als grachten in de stad opgenomen; zo vormden de verdedigingswerken een belangrijk structurerend element in de stedenbouwkundige opzet van Haarlem. De uitvalswegen werden beschermd door stadspoorten, in de 16de eeuw waren er negen. Binnen het 'harnas' van de stadsmuren verdichtte de stad. Het 'buitentimmeren' (bouwen buiten de muren) was verboden, onder andere omdat het stadsbestuur buiten de muren geen belasting kon heffen. In het schuttersgilde waren de burgers van de stad verenigd, die Vanaf de middeleeuwen beschermde de Schutterij de stad. Een tijdje bezat Haarlem twee Doelen (oefenveld) voor de schutterij: de Kloveniersdoelen en de Sint Jorisdoelen. Na een lange discussie groeide de stad in de 17de eeuw ook naar het noorden en werd daar voorzien van een kenmerkende, moderne verdediging met acht bastions.
De verdedigingswerken vormden grenzen in fysiek, sociaal, economisch en juridisch opzicht. De contrasten die de stadsmuren en bastions creëerden zijn bepalend en vaak nog goed herkenbaar in de stad. Aan het begin van de 19de eeuw veranderde de manier van oorlog voeren, waardoor de oude vestingwerken direct rond de stad nutteloos werden. De muren en poorten stonden in 1821 op instorten, er was geen geld voor reparatie. Bovendien wilde Haarlem de toegankelijkheid van de stad verbeteren. Het stadsbestuur kreeg toestemming van de nationale regering om de vestingwerken te ontmantelen. Alleen de Amsterdamsepoort bleef bewaard. De Haarlemse landschapsarchitect J.D. Zocher jr. ontwierp voor de noordelijke bolwerken een lommerrijk park. Een aantal sterk vervuilde grachten werd gedempt en ging dienst doen als verkeersroutes, zoals de Raamgracht en de Voldersgracht.
De gemeentegrenzen zijn in de loop van de tijd sterk veranderd, waarbij een groot deel van het huidige Haarlem ontwikkeld is op gronden van aangrenzende gemeenten die in de loop van de tijd geannexeerd zijn, zoals Schoten.
De Amsterdamsepoort, Cornelis Pronk (1701-1759)
Ten oosten van Haarlem werd tussen 1880 en 1920 de Stelling van Amsterdam gebouwd: een grootschalig stelsel van verdedigingswerken, schootsvelden en inundatiewerken dat de hoofdstad moest beschermen. De schootsvelden vormden de zogeheten Verboden Kringen waar alleen in sommige stukken gebouwd mocht worden, en dan uitsluitend in hout omdat dat snel afgebroken kon worden. Haarlem lag buiten de bescherming van de Stelling van Amsterdam. Fort Benoorden Spaarndam, Fort Bezuiden Spaarndam, Fort bij Penningsveer, Fort bij de Liebrug en Fort aan de Liede liggen dicht bij elkaar omdat er veel kwetsbare plekken in de linie zijn die verdedigd moesten worden. Spaarndam was door de aanwezigheid van enkele waterstaatkundige werken van groot strategisch belang voor het functioneren van de Stelling. De Stelling van Amsterdam met Verboden Kringen heeft gezorgd voor het open blijven van het cultuurlandschap aan de oostkant van de stad en het (deels) behouden van het pre-stedelijke polderlandschap. Het gebied rond Spaarndam is nog steeds herkenbaar als een 'militair landschap'.
Stelling van Amsterdam
De soldaten die de forten moesten bemannen werden in Haarlem gelegerd, eerst in de Koudenhornkazerne (het huidige politiebureau) en na 1884 in de Ripperdakazerne aan de noordkant van de stad. Dit grote terrein is tussen 2005 en 2009 herbestemd tot het autovrije woon- en werkgebied Ripperda. Zo blijven de historische namen in herinnering. Naar Kenau en Ripperda is ook nog steeds een park vernoemd en samen hebben ze een standbeeld bij het station. Oorlog en verdediging hebben hun sporen in en om de stad achtergelaten. Meer dan eens stond de stedelijke autonomie en identiteit op het spel, wat bij uitstek tot uitdrukking komt in verdedigingswerken, die de stad ruimtelijk definiëren ten opzichte van de omgeving en representeren in bijvoorbeeld de stadspoorten, de Oude en Nieuwe Doelen en de Ripperdakazerne.
Het hoofdgebouw van de Ripperdakazerne in 1890, ansichtkaart
De kazerne was van 1882 tot 1992 in gebruik. Tegenwoordig zijn er woningen en kantoren gevestigd.
In het verhaal 'Een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout' uit de Camera Obscura van Nicolaas Beets becommentarieert de cynische Amsterdammer Robertus Nurks de wandelaars die hij waarneemt in de Haarlemmerhout. Hij spot met ieders eigenaardigheden en brengt zijn neef Hildebrand telkens in verlegenheid. Nurks vindt Haarlem duidelijk minderwaardig, hij noemt het een 'mal klein stadje'.
Toch trok dat stadje in de loop der eeuwen veel schrijvers en andere kunstenaars. In 1804 schreef A. Loosjes over 'Hollands Arcadia, of wandelingen in de omstreken van Haarlem'. Tijdgenoten van Beets, zoals de dichters Potgieter en Tollens, gingen graag naar muziek-opvoeringen in de Hout. Tachtigers Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel en Jacobus van Looy wandelden er geregeld. Veel later beschreef Harry Mulisch hoe de hoofdpersoon van zijn boek Archibald Strohalm elke ochtend, voordat hij naar zijn werk ging, een paar minuten onder de kroon van de oudste boom van de Hout vertoefde. De Haarlemmerhout inspireert mensen.
Het Hildebrand-monument in de Haarlemmerhout door Jan Bronner (voltooid in 1947)
De naam Haarlem komt waarschijnlijk van Haarloheim, en dat betekent zoiets als 'woonplaats huis (heim, haima) gelegen op een hoge of open zandgrond (haar, haru) in het bos (la, lo)'. Mede vanwege die droge, groene omgeving vestigen mensen zich daar graag. Dit was zo in de late middeleeuwen toen edellieden zich vlakbij het grafelijk hof vestigden en in de Haarlemmerhout gingen jagen - en dat bleef zo. De omgeving nabij de Haarlemmer Hout, De Baan werd in de 14de eeuw door hertog Aelbrecht van Beieren, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, aan de Haarlemse jeugd geschonken als speelveld 'ten ewighen dagen'. Hier werden gaandeweg pleziertuinen aangelegd en speel- en tuinhuisjes gebouwd.
Amsterdamse en Haarlemse kooplieden bouwden in de 17de eeuw buitenplaatsen in en om Haarlem, langs het Spaarne en de trekvaart naar Leiden, omdat het zo'n prettige omgeving was. Deze buitenplaatsencultuur, waar eigenaren zich vaak tot ware grootgrondbezitters ontwikkelden met agrarisch land, bleekvelden en vinkenbanen, droeg bij tot de vorming van het karakteristieke, rijke cultuurlandschap van Kennemerland. Bouwmeester Salomon de Bray betoogde in 1661 dat de fraaie ligging en de frisse lucht van Haarlem immigranten aantrok. Dat was volgens hem een reden om de stadsuitbreiding in gang te zetten, met als hoogtepunt de Nieuwe Gracht: een voorname publieke ruimte met een ruim profiel, straatbomen en achtertuinen naar Amsterdams voorbeeld.
Voor de Haarlemse en Amsterdamse bovenklasse bleef de stad een aantrekkelijke vestigingsplaats. In de 18de eeuw werden er deftige stadshuizen met weelderige interieurs gebouwd als Paviljoen Welgelegen, Huis Barnaert en het Hodshonhuis. Culturele en educatieve gelegenheden als de Teylersstichting en de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen zagen het licht om de elite bezig te houden. Families met een groot vermogen lieten in de 18de en 19de eeuw nog buitenplaatsen bouwen in de duinen, in de Haarlemmerhout en langs het Spaarne. De Haarlemmerhout ontwikkelde zich van jachtgebied, natuurbos en stadspark naar recreatiepark.
Het gemeentebestuur gaf het imago van de deftige groene stad in de 19de eeuw een impuls met de aanleg van groene villaparken. De trein versterkte de groei van het forensisme, omdat Haarlem voor Amsterdammers nog aantrekkelijker werd. De Haarlemse tuinarchitectenfamilie Zocher speelde een cruciale rol in het 'vergroenen' van de stad in de 19de eeuw. Jan David Zocher jr. en zijn zoon Louis Paul maakten, naar voorbeeld van de Engelse villaparken, de ontwerpen voor het Frederikspark en het Kenaupark. Daarna volgden onder meer het Ripperdapark en het Florapark. Na de aanleg van het park gaf de gemeente de grond uit en was de koper vrij in het ontwerp van zijn villa, al oefende Zocher wel graag invloed uit op de architectuur.
Haarlem was de eerste Hollandse stad waar Zocher ook de bolwerken transformeerde tot publieke wandeling in de late Engelse landschapstijl. Het bolwerkpark was gericht op de uitzichten naar buiten toe en gesloten richting de stad. Ook ontwierp de familie Zocher delen van de Haarlemmerhout, zoals het slingerende padenstelsel en de buitensociëteit Trou Moet Blijken, nu restaurant Dreefzicht.
De traditie van ruim opgezette woonwijken zette in de 19de en 20ste eeuw voort. De Koninginnebuurt en het Kleverpark vormen nog altijd zeer aantrekkelijke woonmilieus, al werden ze opgezet met minder publiek en meer privé terrein, was er iets minder groen en maakten villa's plaats voor herenhuizen. Aandacht voor een groene woonomgeving van grondgebonden woningen met tuin is eveneens manifest in de woonbuurten in Haarlem-Noord uit de eerste helft van de 20ste eeuw voor middenstand en arbeiders, zoals de Bomenbuurt, Planetenbuurt en Dietsveld. Of het ten zuiden van Haarlem op de voormalige buitenplaats ontwikkelde buurt Bosch en Vaart. Het tegen de duinen aangelegen Ramplaan werd in 1910 door de gemeente Bloemendaal gebouwd, maar in 1927 door Haarlem geannexeerd.
Een aantal van die huizen en andere gebouwen bevat nog zeer hoogwaardige en soms gaaf bewaard gebleven interieurs, zoals Klein Heiligland 43 en Broodhuisje Lange Veerstraat, Hofje van Staats, de ovalen zaal van het Teylersmuseum, het Huis Barnaart, de wachtkamers van het station.
Kaart van het ontwerp voor de Haarlemmerhout door Johan David Zocher jr., getekend door F.J. Nautz in 1837
Gezigt op het Binnen-Spaarne, met het Hodshonhuis, afbeelding vervaardigd door G.J. Bos, ca. 1860.
Abraham het Hart ontwierp het Hodshonhuis tussen 1794-1796, het voorname interieur is nog grotendeels aanwezig.
Haarlem is populair gebleven onder forensen en welgestelden, die in het weekend wandelen in de Hout, recreëren in de landelijke omgeving en naar Bevrijdingspop gaan op de plek die Nurks nauwelijks meer zou herkennen als de Haarlemmerhout. Iets verderop is in 1962 een beeldengroep van beeldhouwer Jan Bronner geplaatst: het Hildebrandmonument.
|
Haarlem is populair gebleven onder forensen en welgestelden, die in het weekend wandelen in de Hout, recreëren in de landelijke omgeving en naar Bevrijdingspop gaan op de plek die Nurks nauwelijks meer zou herkennen als de Haarlemmerhout. Iets verderop is in 1962 een beeldengroep van beeldhouwer Jan Bronner geplaatst: het Hildebrandmonument. Haarlemse Stadsarchitecten: Lieven de Key, Stadsmeestermetselaar en deel van de Stadsfabriek (1593- 1627). Maakte het ontwerp voor de vleeshal, het noordelijke vleugel stadhuis, en de waag. Gerrit van der Pauw, Stads timmermansbaas en daarna adjunct-directeur Stadstimmerhuis (1795-1811). J.E. van de Arend, Opzichter over de stedelijke werken en gebouwen (1852-1880) J. Leijh, Architect over de werken en gebouwen der gemeente (1881-1902). Maakte ontwerpen voor, de Wilhelminastraat en diverse scholen en bruggen. L.C. Dumont, Directeur Openbare Werken(1902-1930). Werkte aan de Amsterdamse buurt, Slachthuisbuurt, en verschillende uitbreidingsplannen, ook voor buurgemeenten. Gijsbert Friedhoff, Hoofd bouwkundige afdeling Openbare Werken (1936-1946). Maakte een aantal uitbreidingsplannen. A. van der Steld, Hoofd afdeling Stadsontwikkeling. Onder zijn leiding werden Delftwijk en Sinneveld gerealiseerd. N.H. Andriessen, Stadsarchitect van Openbare Werken (1966-1970) stadsvernieuwing Rozenprieel, Amsterdamsebuurt, Leidsebuurt. L.C. Röling Stadsarchitect(1970-1988), experimentele woningbouw Zuiderpolder. M.F. Asselbergs, Stadsarchitect in algemene dienst (1990-1994) architectuurnota, revitalisering Spaarne-oevers. J. Slangen, Stadsarchitect in algemene dienst (1996-2007) M. van Aerschot, Stadsbouwmeester van de afdeling Ruimtelijke Beleid (2008-2018), beleidskaders, zoals de welstandsnota en structuurplannen. |
De door Lieven de Key ontworpen Vleeshal, foto uit 1894
In dit hoofdstuk worden 23 gebieden in de stad behandeld. Gebieden worden gevormd door buurten die een samenhang laten zien in hun ruimtelijke verschijningsvorm, functie en/of betekenis voor de stad. Vaak zijn deze gebieden in eenzelfde periode zijn ontstaan of ontworpen. De indeling sluit aan bij de gemeentelijke buurtindeling.
Veel gebieden worden begrenst of doorsneden door straten, waterlopen of spoorlijnen, die ook op een grotere schaal zelfstandige betekenis als 'lange lijn' hebben. Tegelijk dragen zij ook bij aan het specifieke karakter van de buurt. Daarom moet de gebiedsbeschrijving altijd in samenhang met de beschrijving van de 'lange lijnen' in het volgende hoofdstuk worden.
Kaart Gebieden
Al rond circa 4000 v. Chr. vestigden de eerste bewoners zich op de hoger gelegen strandwal. Daar waar de strandwal - en de daarop gelegen Herenweg - dicht langs het Spaarne lag, ontwikkelde zich vanaf de 9de eeuw een nederzetting, Haralem genoemd. In 1245 verleende graaf Willem II Haarlem het stadsrecht. De graaf van Holland vestigde een grafelijk hof aan 't Sant, de huidige Grote Markt. De aanwezigheid van het hof stimuleerde de handel en nijverheid. Scheepsbouw, nijverheid en de bierbrouwerij werden de belangrijkste economische pijlers van de stad. De stad kreeg haar eerste omwalling daar waar nu (Gedempte) Oude Gracht, Nassaulaan, en Bakenessergracht liggen. Daarbinnen kruiste de Herenweg de Grote Markt, de centrale ruimte waar al in de 16de eeuw tien straten op uit kwamen. Het stratenpatroon liep parallel aan de Herenweg. Oost-west straten waren van ondergeschikt belang met uitzondering van de Zijlstraat-Zijlweg, die over een oost-west zanduitloper van de strandwal loopt. Behalve het hof werd hier vanaf 1370 de huidige Grote of Sint Bavokerk gebouwd, die in 1520 werd voltooid.
In de bloeitijd van Haarlem werd de stad eerst naar het Spaarne uitgebreid, en daarna in noord-zuidrichting, waarbij werd voortgebouwd op de al bestaande wegenstructuur. De voormalige vesten werden daarbij steeds als grachten in de stad opgenomen. De oostelijk van het Spaarne gelegen scheepswerven werden daarbij ook binnen de muren getrokken. De stad werd binnen deze omwalling steeds intensiever gebruikt en verder verdicht.
In de 17de eeuw maakten diverse ontwerpers in opdracht van het stadsbestuur plannen voor de uitbreiding van de stad. In 1671 viel het besluit tot aanleg van het noordelijk deel, ontworpen door Andries van der Walle en Erasmus den Otter. Basis voor het ontwerp was een plan uit 1644 van de Haarlemse schilder en architect Salomon de Bray.
Het nieuwe stadsdeel bestaat uit acht bolwerken met een vestinggracht en de 'Nieuwstad' tussen de bolwerken en de bestaande bebouwing. Het stratenpatroon is orthogonaal met een regelmatige verkaveling en brede profielen. Met als meest sprekende voorbeeld de Nieuwe gracht waarlangs naderhand voorname herenhuizen zouden verrijzen.
De economische teruggang in de 18de eeuw remde de groei waardoor de nieuwe uitleg lange tijd voor een deel braak bleef liggen. In 19de eeuw werd het gebied deels ingevuld door grootschalige bedrijven zoals 'Weverij de Phoenix' aan de Parklaan / Friese Varkenmarkt, de Beijnesfabriek. Wel werd in de stad door vermogende burgers een groot aantal hofjes gebouwd voor kwetsbare stadgenoten, en tegelijkertijd als pronkstukken ter ere van de stichters zelf.
Historische beeldkarakteristiek 'Binnenstad'
In 1822 kreeg J.D. Zocher jr. opdracht de noordelijke bastions tot wandelpark om te vormen. De stadsbestuurders hoopten met een aantrekkelijk woongebied welgestelden te verleiden villa's te bouwen en zich hier te vestigen. In de komende decennia zou dat ook gebeuren, vooral nadat het station van de spoorlijn naar Amsterdam in 1842 op de huidige plek werd gesitueerd. Vanaf 1846 bouwden zij villa's aan het Statenbolwerk en vanaf 1868 in het Kenaupark, het eerste villapark van Haarlem, dat door Jan David Zocher jr. en Louis Paul Zocher was ontworpen op het meest westelijke bolwerk.
In dezelfde tijd werd ook flink gedempt. In de jaren 1860-1880 verdween in de binnenstad een heel aantal grachten om stankoverlast en de dreiging van epidemieën tegen te gaan. De Parklaan, het Nassauplein en de Wilhelminastraat werden daarop aangelegd, en bebouwd met deftige herenhuizen. Vanaf 1905 werd de spoorlijn door de stad verhoogd aangelegd, tegelijk met de bouw van een nieuw station.
Cityvorming met banken, winkels- en kantoren heeft vanaf de late 19de eeuw op sommige plekken geleid tot schaalvergroting, maar niet zozeer tot hogere bebouwing. De uitzondering die deze regel bevestigt is het voormalige V&D -warenhuis.
In de jaren zeventig werd het gebied bij het station gereconstrueerd. Hier werd grootschalig gebouwd waardoor de historische structuur en het stadsbeeld ingrijpend zijn gewijzigd. Aan de Grote Markt werd het complex Brinkmann gebouwd en aan de Raaks winkels met een grote parkeergarage. In 1990 werd de binnenstad samen met de Haarlemmerhout aangewezen tot rijksbeschermd stadsgezicht. Het beleid is er sindsdien op gericht de karakteristieken van de binnenstad te behouden. Binnen de historische panden zijn vaak bouwelementen en sporen uit verschillende perioden te vinden, zoals kelders, balklagen of verstopte plafonds die vaak teruggaan tot de 14de eeuw. Desondanks blijft er ruimte voor ontwikkeling in de historische stad. Zo werd in 1994 het terrein van de drukkerij Joh. Enschedé getransformeerd tot Toneelschuur, rechtbank, hotel, kantoren en parkeergarage. Met uitzondering van het stationsgebied bleef de hoogte van de nieuwbouw beperkt.
Veel (publieke) gebouwen in Haarlem zijn in architectuurhistorisch opzicht van nationaal belang, zoals de Sint Bavokerk, het stadhuis, de vleeshal (ontworpen door Lieven de Key), de Nieuwe Kerk (Jacob van Campen), Huis Barnaart (Abraham van der Hart), het wandelpark op de bolwerken (Jan David Zocher jr.), stationsgebouw (Dirk Margadant).
Cultuurhistorie
Gelaagdheid en ligging in omgeving
Middeleeuwse stadsplattegrond gevormd door het landschap
17de -eeuwse stadsuitleg en 19de -eeuwse transformaties
Stadsgezicht, straatbeeld
Bebouwingschaal, daklandschap, stadssilhouet en zichtlijnen
Formele gesloten straatwanden met informele binnenterreinen
Openbare ruimte- overgang openbaar- privé
Bebouwingsbeeld
Eenheid in verscheidenheid
Het portaalhuis
Historische beeldkarakteristiek 'Binnenstad'
Bij de uitmonding van het Spaarne in het IJ, dat in open verbinding stond met de Zuiderzee, is in de eerste helft van de 13de eeuw een dam gelegd om het achterland tegen hoog water te beschermen. Hierin bouwde men sluizen en een overtoom voor de scheepvaart. In de dam kwamen een spuisluis en een schutsluis voor respectievelijk de waterafvoer en de scheepvaart. De centraal gelegen Kolksluis uit 1280 behoort tot de oudste nog werkende sluizen van Europa.
Aan de zuidkant van de dam ontstond het dorpje Spaarndam. De bevolking leefde van tolheffing, visserij en het schutten van schepen. Aansluitend op de oudste schutsluis werd de Kolk ingericht als veilige ligplaats voor de wachtende schepen op de vaarroute van Haarlem naar het IJ en verder. Hier omheen concentreerde zich de bebouwing.
Stormrampen en overstromingen richtten herhaaldelijk veel schade aan. Daarom werd de Spaarndammerdijk in de 15de eeuw opgehoogd en werd tussen 1623 en 1626 in het verlengde ervan - de Slaperdijk aangelegd, een stuk achter de bestaande Velserdijk.
Door de tijd heen zijn verschillende sluizen aangelegd, vergroot en vervangen. Het Hoogheemraadschap van Rijnland bouwde hier in 1641 haar 'timmerhuis', het huidige gemeenlandshuis. Bij de zwakste schakel in de zeewering moest men permanent beschikken over materialen en werklieden. Het gemeenlandshuis is ook woonhuis geweest van bekende waterstaatkundigen als N. Cruquius, C. Brunings en F.W. Conrad.
Spaarndam bleef langzaam groeien, zowel door kleinschalige uitbreiding als door verdichting. Na de openstelling van het Noordzeekanaal in 1876 en de inpoldering van het IJ (1865-1873) was het overstromingsgevaar geweken. Daardoor werd het ook mogelijk buitendijks te bouwen. Binnendijks loopt nu naast Spaarndammerdijk over grote lengte een anderhalve meter lager gelegen onderstraatje; hoogstwaarschijnlijk is dit de oorspronkelijke dijk. Het dorp breidde zich naar het noorden en het zuiden pand voor pand uit. In 1836 kreeg het dorp een haventje dat een kleine eeuw later werd gedempt en dat voorleeft als het 'Havenplein'.
Rondom het dorp vond in de 19de eeuw schaalvergroting plaats door de aanleg van het nieuwe stoomgemaal en de Stelling van Amsterdam. In 1927 werd het dorp Spaarndam bij Haarlem gevoegd. Naar aanleiding van het 19de-eeuwse Amerikaanse verhaal over Hans Brinker die zijn vinger in de dijk stak, is in 1950 een beeld geplaatst bij de dijk. In 1971 werd de dorpskern aangewezen als rijksbeschermd dorpsgezicht.
Cultuurhistorie
Ligging in omgeving
Dorpsgezicht
Bebouwingsbeeld
Historische beeldkarakteristiek 'Spaarndam'
De groene rand aan de oostkant van Haarlem is het restant van een veenweidegebied dat is ontstaan op de rand van de strandwal en de strandvlakte. In de bronstijd, ijzertijd en in de Romeinse tijd werd dit gebied al bewoond. Daarop ontstond veen, dat vanaf de 9de eeuw werd ontgonnen. De middeleeuwse percelering volgt de patronen uit de prehistorie. Eenmaal bedijkt en ontwaterd ontstond hier een veenweidegebied met karakteristieke opstrekkende strokenverkaveling. De bewoners waren sindsdien vooral veehouders.
De huidige groene rand is bewust onbebouwd gelaten. Aan de oostkant van de stad is dat te danken aan de aanwezigheid van het westfront van de Stelling van Amsterdam. Deze waterlinie was bedoeld om bij het naderen van Amsterdam, de vijand te kunnen tegenhouden door het inunderen van het land en door strategisch geplaatste versterkingen. Tussen 1885 en 1907 werden langs de Ringvaart en de Liede hiervoor zes forten aangelegd. Op basis van de Kringenwet van 1853 (ingetrokken in 1963) moest een bepaalde kring rond ieder fort worden vrijgehouden van (stenen) bebouwing ten behoeve van een vrij schootsveld. In 1917-1919 werd bovendien de Voorstelling bij Spaarndam aangelegd op 300 meter voor de hoofdwal: een polder vol betonnen schuilplaatsen en andere werken. Dankzij deze militaire linies is deze forse groene rand onbebouwd gebleven. Het belang en de kwetsbaarheid werd onderstreept toen de hele Stelling in 1996 werd aangewezen als Unesco werelderfgoed.
Bij de aanleg van de grote stadsuitbreiding Schalkwijk in de jaren zestig en zeventig werd het oorspronkelijke weidelandschap langs de Ringvaart en het Spaarne rondom de wijk bewust intact gelaten om te kunnen dienen voor 'sport, spel en verpozing' voor de Schalkwijker. De gemeente stelde zichzelf ten doel de landelijkheid van het gebied te handhaven. Nu liggen hier voor de hele stad belangrijke wandel- en fietsroutes. Ten zuiden van Schalkwijk zijn door zandontgravingen voor het opspuiten van de grond grote zandputten ontstaan, nu recreatieplassen.
In de 20ste eeuw is de agrarische functie grotendeels verdwenen, en andere functies, zoals recreatie en natuur kwamen ervoor in de plaats. Langs de Schalkwijkerweg en in de buurt van Vijfhuizen staat nog van oorsprong agrarische bebouwing.
Grote delen van de spoordijk van de voormalige Haarlemmermeerlijn Haarlem - Aalsmeer liggen nog aan de rand van de Groene Zone, in een kaarsrechte lijn. De route is nu in gebruik als wandel- of fietspad.
Historische beeldkarakteristiek 'Veenweidegebied'
De Haarlemmerhout is het restant van een groot bosgebied dat door de graven van Holland als jachtgebied werd gebruikt. Geleidelijk werd het bos gekapt, alleen de Hout bij Haarlem bleef bestaan. Jacoba van Beieren kapte grote delen van de Hout tijdens de Hoekse en Kabeljauwse twitsten. Tijdens het beleg van Haarlem in 1572-1773 werden de bomen door de Spanjaarden gekapt. Tien jaar later kregen de Haarlemmers het gebied in erfpacht als dank voor hun getoonde moed, waarna het weer werd beplant. Het duurde 170 jaar tot de aanleg voltooid was. Het stadsbestuur liet bomen planten langs monumentale lanen, gebaseerd op de formele, Frans classicistische tuinarchitectuur.
Al vroeg was er een duidelijke relatie tussen de stad, de Hout en gebied ertussen. Het gebied waar naderhand het Frederikspark zou komen werd in 1390 door de toenmalige landheer aan de Haarlemmers geschonken om 'voor eeuwig als speelterrein voor de bevolking te dienen'. In de eeuwen daarna bleef dit een recreatiegebied: hier werden herbergen, uitspanningen en tuinen voor de stadsbewoners gerealiseerd.
In de 17de en 18de eeuw werden rond de Hout kleine buitenplaatsen gebouwd. In die tijd was het gebied niet alleen populair bij Haarlemmers, maar ook bij dagjesmensen die per trekschuit kwamen uit Amsterdam of Leiden, aangetrokken door de literatuur en poëzie. De Dreef speelde de rol van wandelallee tussen stad en Hout.
In 1786-89 bouwde de Amsterdamse bankier Henry Hope aan de noordkant van het bos Paviljoen Welgelegen. In samenhang daarmee ontwierp J.P. Michael de herinrichting van het oostelijk deel van de Hout, met een zichtas en slingerpaden in de vroege landschapsstijl. Veertig jaar later herschiep Jan David Zocher jr. de Haarlemmerhout tot een bospark in de late Engelse landschapsstijl. Ook de Dreef werd 'verlandschappelijkt'. Zo maakte hij het bos tot één landschap over de volle breedte, met een afwisseling van open ruimten, slingerende paden, dichte bosbeplanting, boomgroepen en solitaire bomen. Delen van de voormalige formele aanleg werden in het plan opgenomen zoals de lanen langs de bosrand en het Lindenplein uit het plan van Michael.
In 1902 maakte Leonard Springer een ingrijpend reorganisatieplan voor de zwaar verwaarloosde Hout, waarmee hij het bomenbestand verbeterde en het karakter van het dichtgegroeide bos grotendeels veranderde in een stadspark. Ondanks veel tegenstand tegen de bomenkap werd dit plan uitgevoerd.
In de jaren zestig van de vorige eeuw veranderde de Hout ingrijpend ten behoeve van het autoverkeer. De Dreef, Fonteinlaan en Spanjaardslaan werden verbreed waarbij een bomenlaan uit 17de eeuw werd gekapt. De vele protesten leidden tot een herwaardering van de Hout, die in 1969 werd aangewezen tot rijksmonument. In 1990 werd de Haarlemmerhout samen met de binnenstad aangewezen tot rijksbeschermd stadsgezicht.
Historische beeldkarakteristiek 'Haarlemmerhout'
De pre-stedelijke structuur van het gebied net ten zuiden van de vesting werd bepaald door de noord-zuid verbindingen van de Wagenweg (Herenweg) en de in 1656-1657 gegraven Leidsevaart. Langs de vaart en de Wagenweg werden - vanwege de goede bereikbaarheid - buitenplaatsen aangelegd. Ook rond het latere Houtplein verscheen bebouwing. Verder was dit een tuinbouwgebied en stonden er lakenramen, waren de lakens werden opgespannen. De wegen- en padenstructuur is deels bewaard gebleven, ook sommige straatnamen verwijzen naar de lakenindustrie.
In de 17de en 18de eeuw kwamen veel Haarlemmers en dagjesmensen die per trekschuit of rijtuig van elders waren gekomen, zich verpozen in het gebied rond de Haarlemmerhout. De Dreef speelde de rol van wandelallee tussen stad en Hout. In 1786-1789 bouwde de Amsterdamse bankier Henry Hope hier zijn Paviljoen Welgelegen, het latere Provinciehuis. Wat later werden tussen Hout en stad de villabuurten Frederikspark (J.D. Zocher, 1862 e.v.) en Florapark (L.P. Zocher, 1873) aangelegd om welgestelden te verleiden in de stad te blijven of zich te vestigen.
Vanaf 1850 ontwikkelde de Koninginnebuurt zich zuidelijk van de bestaande stad, als één van de vroegste stadsuitbreidingen van Haarlem. Het plan voor een 'aanzienlijk stadskwartier' van J. Wolbers uit 1895 werd kort daarop uitgevoerd. Aansluitend op de bestaande bebouwing langs de oudere wegen ontstonden langs gebogen straten gesloten bouwblokken met vooral herenhuizen. De buurt werd een woongebied met villa's, herenhuizen en middenstandswoningen, met daarin ook bijzondere complexen als het Coen Cuserhuis, en scholen.
Het Wilhelminapark is gesticht door een particuliere exploitatiemaatschappij. Op een van bloembollenkwekerijen aangekocht terrein maakte de directeur, architect S.J.W. Mons, zelf een stedenbouwkundig plan (1898) dat min of meer aansloot op de Koninginnebuurt. Hierin werden door hemzelf en anderen tussen 1898 en 1905 luxe villa's en herenhuizen ontworpen en gebouwd. Verschillende architecten van naam hebben in de buurt gewerkt waaronder K.P.C. de Bazel, A.J.M. van Sevenhuijsen en J.A.G. van der Steur.
De villawijk Bosch en Vaart werd door koopman R. Key en bouwkundige P. Kuiper ontwikkeld op het terrein van de buitenplaats Bosch en Vaart, toen gemeente Heemstede en in 1927 geannexeerd. In 1900 maakten zij een stedenbouwkundig plan en richtten Exploitatiemaatschappij 'Bosch en Vaart' op. De maatschappij bouwde zelf een aantal huizen, maar bood de meeste kavels te koop aan. Hierdoor is tussen 1900 en 1920 een villawijk ontstaan met heel diverse bebouwing in verschillende bouwstijlen. In 2011 is het gebied aangewezen als rijksbeschermd stadsgezicht Haarlem Zuidwest.
Het Van Tubbergenterrein heeft een heel eigen geschiedenis. Het gebied maakte deel uit van de, langs de Leidsevaart gelegen, buitenplaatsen Vaartzigt en Zwanenburgh en bleef tot 1980 in gebruik als tuinbouwgebied. Pas vanaf 1985 is het ingericht als woongebied met een heel eigen karakteristiek.
Historische beeldkarakteristiek 'Villagebied Zuidwest'
De pre-stedelijke structuur van dit gebied is bepaald door de onderliggende strandwal en het veengebied langs het Spaarne. Er zijn archeologische sporen gevonden van prehistorische bewoning. Van de oorspronkelijke verkaveling is weinig terug te vinden. Eind 15de eeuw liepen hier de nog bestaande Kleine Houtweg als oostgrens van de Haarlemmerhout en de eveneens nog bestaande Crayenestervaart, die als zandvaart werd gegraven. Langs het water stonden molens en kalkovens.
In de 17de eeuw verschenen de eerste buitenplaatsen met omvangrijke landerijen tot het Spaarne, en siertuinen bij de hoofdgebouwen aansluitend op de Haarlemmerhout. Oosterhout en Spaar en Hout liggen in het noorden gericht op de Kleine Houtweg, Zuiderhout is één van de buitens in het zuiden die gericht zijn op het verlengde van de Dreef.
Aan het eind van de 19de eeuw werden de huizen Oosterhout en Zuiderhout met de bijbehorende terreinen gekocht door particuliere exploitatiemaatschappijen. Die wilden er villaparken ontwikkelen voor de meer welgestelde inwoners van Heemstede waar dit gebied toen bij hoorde. De bekende tuinarchitect L.A Springer kreeg rond 1900 opdracht een stedenbouwkundig plan te ontwerpen voor Oosterhout. Het huis bleef gehandhaafd en uitgaande van de bestaande vijver ontwierp hij een gebogen stratenpatroon. De eerste villa's werden vanaf 1901 gebouwd en na een stilstand in de Eerste Wereldoorlog, weer vanaf 1920. Uitzondering in dit villagebied is Tuinwijk Zuid dat is ontworpen door J.B. van Loghem. Het is een bijzonder complex van arbeiderswoningen met platte daken uit 1920-1922, geschakeld rond twee binnentuinen.
Aansluitend op Oosterhout maakte Springer het stedenbouwkundig plan voor Zuiderhout, met een webvormige structuur van licht gebogen straten, georiënteerd op de Churchilllaan. Gaandeweg werd de villawijk van noord naar zuid bebouwd met vooral vrijstaande huizen en twee-onder-een-kapwoningen. In 1927 werd het deels bebouwde gebied door Haarlem geannexeerd. Die had minder stringente regels waardoor ook enkele rijtjes werden gebouwd.
Een buitenbeentje is de Parkflat Zuiderhout uit 1961 naar ontwerp H.T. Zwiers, die is gelegen in een ruim plantsoen. De afmetingen daarvan zijn afgestemd op de hoogte van de flat: tien bouwlagen.
In 2011 werden Oosterhout en Zuiderhout aangewezen tot het rijksbeschermd stadsgezicht Haarlem Zuid.
Historische beeldkarakteristiek 'Villagebied Zuid'
Buurten: Frans Halsbuurt, Kleverpark, Bomenbuurt
Het gebied tussen de Rijksstraatweg en de Delft ten noorden van stadsomwalling is in fasen tussen 1880 en 1940 ontwikkeld tot woongebied voor middenstand en arbeiders. De ontwikkeling van het gebied is bepaald door de onderliggende noord-zuid lopende strandwal. De middeleeuwse Herenweg loopt noord-zuid, met haaks erop de Kleverlaan naar Bloemendaal. In de middeleeuwen werd de Delft gegraven in noord-zuid richting voor de ontwatering van het binnenduingebied. Hier was in de prehistorie al aardig wat bewoning. Hier lagen ook het Huis ter Kleef dat er al in circa 1250 stond en dat in 1573 tijdens het Beleg van Haarlem werd vernietigd en als ruïne bleef bestaan, boerderijen en enkele buitenplaatsen.
Haarlem had tussen 1688 en 1776 de politieke macht in de omgeving flink kunnen uitbreiden door het aankopen van verschillende heerlijkheden rondom de stad. Zo werden in 1721 de heerlijkheden Overveen, Bloemendaal en Vogelenzang gekocht, in 1766 Schoten, Noord- en Zuid Akendam en Haarlemmerliede. In de Franse tijd was het bestuursbestel veranderd en leverden de heerlijkheden geen inkomsten meer op. Het stadsbestuur verkocht ze per veiling. De gemeente Schoten ontstond in 1798 door het samenvoegen van de in dit gebied gelegen zeven Heerlijkheden. In 1828 kocht de gemeente Haarlem de - in Schoten gelegen - voormalige buitenplaats Akendam om er de (nu nog bestaande) gelijknamige Algemene Begraafplaats aan de Schoterweg aan te leggen. J.D. Zocher, die de laatste bewoner was van Akendam, maakte daarvoor het ontwerp. In 1892 zal op het naastgelegen terrein de RK begraafplaats Sint Barbara worden ingewijd.
Haarlem groeide vanaf 1880 op de strandwal noordwaarts, om te beginnen op het exercitieveld direct ten noorden van de stadsgracht. Hier werden voorname herenhuizen gebouwd aan het Frans Halsplein, naar ontwerp van L.P. Zocher. Kort daarop annexeerde Haarlem het zuidelijk deel van Schoten. De Frans Halsbuurt werd hier in de jaren 1880-1905 gebouwd zonder stedenbouwkundig plan en vooral door particuliere bouwmaatschappijen. Het stratenplan is bepaald door al bestaande wegen en sloten. Daarbinnen werden arbeiders- en middenstandswoningen dicht opeen gebouwd in gesloten bouwblokken in de rooilijn. Ook verrees de Ripperdakazerne.
In 1900 ging de tramlijn naar Bloemendaal van start. Het tracé was vastgesteld in overleg met de grondeigenaren net ten noorden van de stad, die hier herenhuizen wilden ontwikkelen. L.A. Springer maakte in 1899 een plan met als centraal punt een cirkelvormig plein en met sterk gebogen straten en gevelwanden die de bocht van het geplande tramtracé volgen.
Het uitbreidingsplan voor Haarlem uit 1905 van L.C. Dumont, directeur Openbare Werken, liet net ten noorden hiervan (ten noorden van de Aelbertsbergstraat) een symmetrisch stratenpatroon zien, met gespiegelde gevelwanden. Tot 1920 waren hier particuliere bouwers en kleine bouwmaatschappijen actief, daarna werden door woningbouwverenigingen grotere complexen gerealiseerd. Dumont nam in zijn verdere noordelijke uitbreidingen de twee grote oost-west lopende groengordels op waarvan de zuidelijke bestaat uit de Schoterveenpolder met molen, de Stadskweektuinen met de ruïne van het Huis ter Kleef en de Algemene begraafplaats Akendam.
De eerste complexen van de Bomenbuurt verrezen tijdens de Eerste Wereldoorlog in de toenmalige gemeente Schoten. Die bestonden uit goedkope woningen rond beschutte groene binnenpleinen, waar veel Haarlemmers gingen wonen. De gemeente zag dit met lede ogen aan en in 1927 wordt Schoten geannexeerd. Daarna bouwden, tot 1940, vooral particulieren woningcomplexen in gesloten bouwblokken.
Het hart van de - ruim opgezette en tussen 1925 en 1940 gebouwde - Planetenbuurt werd gevormd door het Huis te Zaanen en het groengebied rondom. De hoofdwegen Orionweg en de Zaanenlaan kwamen bij het driehoekige park bij elkaar.
In 2016 is Haarlem-Noord aangewezen tot rijksbeschermd stadsgezicht.
Cultuurhistorie
Gelaagdheid
Ligging in omgeving
Stadsgezicht, straatbeeld
Bebouwingsbeeld
Historische beeldkarakteristiek 'Woonbuurten Noord 1880-1950'
Het veengebied ten westen van de stad aan weerskanten van de Zijlweg werd van oudsher als weiland gebruikt. De Zijlweg, gelegen in het verlengde van de Zijlpoort, vormde al in de middeleeuwen de belangrijke oost-west verbinding door het gebied tussen de binnenstad en Overveen. De afwateringsvaart de Delft was bepalend voor de richting en de vorm van de kavels in het gebied. Dit deel van de stad heeft lange tijd een bedrijfsmatige functie gekend; er stonden vooral molens en boerderijen. Overlast gevende bedrijvigheid vond een plek net buiten de vesting. Zo stond de katoenfabriek van Prévinaire vanaf 1834 op de hoek van de Buitensingel en de Garenkokersvaart. Het Garenkokerskwartier dankt zijn naam aan de vele garenkokerijen die vanaf de 19de eeuw buiten de Zijlpoort werden gevestigd.
Door dit weidegebied werd vanaf 1842 de spoorlijn naar Leiden aangelegd, met een ruime bocht naar het zuiden. Vanaf 1905 liep de Zijlweg hier onder een viaduct. In 1867 opende de spoorlijn Haarlem - Uitgeest, als een aftakking van de lijn naar Leiden. Met de dwarsverbinding tussen de lijnen naar Leiden en Alkmaar ontstond een driehoekig spoorwegknooppunt met rangeerterrein; een 'niemandsland' waar de Spoorwegen een locomotievenloods bouwden. De Vestingwet van 1874 maakte stadsuitbreiding buiten de stadswallen mogelijk. Daarop is het Garenkokerskwartier ontstaan langs de rechte straten die de al bestaande verkaveling volgden tussen de Zijlweg, de Garenkokersvaart, de Brouwersvaart en de inmiddels aangelegde gebogen spoorlijn naar Leiden. Langs de Zijlweg stond eerst bedrijvigheid centraal en daarna - en ook daartussen - verscheen woonbebouwing.
De bebouwing tot circa 1910 bestond uit particuliere woningbouw in gesloten bouwblokken. Tussen 1919 en 1930 kwamen vooral woningcomplexen tot stand in opdracht van particulieren en enkele bouwverenigingen, bestaande uit grotere architectonische eenheden. Op het terrein van de voormalige villa Rosenhaghe werd vervolgens in 1920-1922 een opvallend, en van de rest van de buurt afwijkend, complex arbeiderswoningen gebouwd naar ontwerp van J.B. van Loghem. Het complex bestaat uit geclusterde kubistische volumes, met een verspringende rooilijn, ver overkragende, platte daken en voortuintjes met hagen.
Nadat de opvolger van de katoenfabriek failliet was gegaan werd op het braakliggende terrein aan de Buitensingel midden jaren dertig een complex geschakelde middenstandswoningen gebouwd. De kerk HH Anna en Maria, de kathedraal van het Oud-Katholieke Bisdom, verrees daarnaast naar ontwerp van H.T. Zwiers. Samen met bijbehorende woningen vormt het een vrijwel gesloten bouwblok. Het Garenkokerskwartier werd met de daarnaast gelegen school Mons Aurea uiteindelijk pas na de oorlog voltooid.
Vanaf 1958 werd de Westelijke Randweg aangelegd langs de Delft. Daar verrees grootschaliger bebouwing zoals het kantoorgebouw van de Provinciale Waterstaat (H.T. Zwiers, 1960) en recentelijk enkele scholen.
Historische beeldkarakteristiek 'Garenkokerskwartier en Zijlweg-West'
De Leidsebuurt en de Leidsevaartbuurt zuidelijk daarvan zijn gebouwd op de veengrond tussen de Haarlemse strandwal en die van Bloemendaal. Via parallelle oost-west gegraven sloten en de laatmiddeleeuwse Houtvaart werd het veen ontwaterd en ontgonnen. Tot de 19de eeuw stonden er in dit weidegebied boerderijtjes en waren er (moes)tuintjes.
Voordat het gebied bebouwd raakte in de laatste decennia van de 19de eeuw lag hier een weidegebied, doorsneden door een aantal historische structuren: de middeleeuwse Brouwersvaart, de genoemde Houtvaart, de 17de-eeuwse trekvaart naar Leiden met het trekpad erlangs, en de spoorlijn naar Leiden (vanaf 1842). Deze structuren zijn bepalend geweest voor de ontwikkeling van de langgerekte, noord-zuid georiënteerde woonwijk.
De nieuwe uitbreiding groeide vanaf 1880 van noord naar zuid. Aan de zuidoever van de Brouwersvaart stond toen al een lang lint van pre-stedelijke bebouwing in een gebied met grote (moes)tuinen. Langs de Leidsevaart stonden, vlakbij de stad, bedrijven die binnen de stad teveel overlast zouden veroorzaken. Het rastervormige stratenpatroon van de uitbreiding werd gebaseerd op de bestaande paden in het tuinengebied.
Woningbouwverenigingen, werkgevers, particulieren en gemeente zelf bouwden hier lange, gesloten bouwblokken met sobere arbeiderswoningen langs nauwe straten, en grotere, wat rijker uitgevoerde middenstandshuizen langs de rand.
Aan de Leidsevaart werd in 1899 verder naar het zuiden begonnen met bouw van de Rooms Katholieke Nieuwe Sint Bavokerk naar ontwerp van Joseph Cuypers. De bouw van de enorme basiliek zou bijna dertig jaar in beslag nemen. Het idee was om rondom de kerk een representatieve woonbuurt te bouwen met fraai gebogen lanen en een plein voor de kerk. Maar de gemeenteraad schaarde zich achter plannen van de Nederlandse Spoorwegen om een grootschalig goederenstation met spoorweghaven aan te leggen tegen de spoorlijn naar Leiden (zie Houtvaartkwartier). Het plan voor de wijk werd daarop aanmerkelijk vereenvoudigd, en vastgelegd in het uitbreidingsplan van 1912. Ook hier werden lange, rechte straten aangelegd, met arbeiderswoningen in gesloten bouwblokken in de rooilijn. Vanwege de geringe afmetingen is een groot deel van de woningen inmiddels verhoogd, waardoor het straatprofiel aanmerkelijk is veranderd.
Historische beeldkarakteristiek 'Leidse(vaart)buurt'
Het Houtvaartkwartier is gebouwd op de veengrond tussen de Haarlemse strandwal en die van Bloemendaal. Via parallelle oost-west gegraven sloten en de laatmiddeleeuwse Houtvaart werd het gebied ontwaterd. Rond 1900, toen er bebouwingsplannen ontstonden, was het een weidegebied, doorsneden door een aantal oudere structuren: de middeleeuwse Brouwersvaart, de genoemde Houtvaart, de trekvaart naar Leiden met het trekpad erlangs, de Pijlslaan, die vanaf de middeleeuwen de verbinding vormde tussen de Herenweg en de Houtvaart, en de spoorlijn naar Leiden (vanaf 1842). Deze structuren zijn bepalend geweest voor de omgrenzing en de sterk noord-zuid gerichte ontwikkeling van het gebied. Het westelijk deel van de buurt is ingeklemd komen te liggen tussen de Houtvaart/Randweg en het spoor, het oostelijk deel tussen het spoor en de Leidsevaart. Daartussen is het gebied tussen 1920 en 1960 fragmentsgewijs bebouwd.
Toen de Leidsevaartbuurt bijna was gerealiseerd, legden de Nederlandse Spoorwegen in de jaren 1903-1907 langs de spoorlijn een goederenstation met spoorweghaven aan die - naast de spoorlijn zelf - nog een extra barrière vormde. Langs de Pijlslaan was kort daarvoor (1903) een woonbuurtje met arbeiderswoningen gebouwd, dat waarschijnlijk bedoeld was voor personeel van het goederenstation.
Vanaf 1924 werd ten noorden van de Pijlslaan een tuindorp-achtig complex (Bloemenbuurt) gerealiseerd door het Gemeentelijk Woningbedrijf. Het bestaat uit geknikte straten en semi-gesloten bouwblokken, en is ontworpen als één architectuureenheid. Groen speelt hier een belangrijke rol.
De woningen in de rest van het gebied werden gerealiseerd vanaf midden jaren twintig in lange bouwblokken en in sobere architectuur. De Lorenzkade is vormgegeven als harde stadsrand. Nadat het goederenstation na de oorlog buiten gebruik werd gesteld, is de spoorweghaven gedempt, in 1968 gevolgd door de Westergracht. Hier verrees tussen 1960 en 1965 een lange bedrijvenstrook.
Tegelijkertijd werd westelijk van de Randweg in de jaren vijftig Oosterduin gebouwd, naar een vooroorlogs stedenbouwkundig plan en met woningen in rijtjes voor beter gesitueerden. Het is nog steeds een op zichzelf staand gebied. Aan de andere kant van de Randweg verrees strokenbouw waaronder de torenflat van vijftien lagen 'Haarlem Hoog' (1959-1961), destijds voor Haarlem een prestigeproject. De stroken werden gebouwd in het groen van het Van Leeuwenhoekpark.
Historische beeldkarakteristiek 'Houtvaartkwartier'
Het westelijk tuinbouwgebied ligt deels op de strandwal Bloemendaal-Overveen en deels op de flank van de strandwal en de strandvlakte. Op die vlakte ontstond veengroei. De wal en de flank van de wal waren in de prehistorie aantrekkelijke locaties voor wonen en akkerbouw. Men groef sloten en greppels om de akkers af te wateren. In de middeleeuwen werd het venige gebied van de strandvlakte, tussen de Haarlemse strandwal en die van Bloemendaal, ontgonnen en drooggemaakt ten behoeve van landbouw. Haaks op de duinen en parallel aan de Brouwersvaart werden sloten gegraven, die uitkwamen in de Houtvaart. In het gebied vestigden zich tuinders die vooral werkten ten behoeve van de Haarlemse bevolking.
In het gebied werd in de 16de eeuw de eerste tulpenbol van Nederland geplant. Blekerijen waren ten zuiden van de Zijlweg al in de 16de eeuw verboden in verband met de kwaliteit van het voor bier te gebruiken water uit de Brouwersvaart. Meer noordelijk in het binnenduinrandgebied was hier wel plek voor. Vanaf de 18de eeuw kwamen er steeds meer bollenvelden door het verder cultiveren van de strandvlakten en het steeds verder afgraven van de aangrenzende strandwallen. De bodem bleek namelijk geschikt voor de bollen- en bloementeelt. De tuinbouwproducten werden via de Brouwersvaart naar de stad gebracht.
Toen het gebied in 1927 overging van Bloemendaal naar Haarlem breidde de bebouwing van het Ramplaankwartier zich steeds verder in het tuinbouwgebied uit. De voorheen fijnmazige verkaveling van de tuinderijen werd grootschaliger. Nog altijd is het gebied in gebruik voor tuinbouw en bollenteelt met enkele kassen. Vanaf de Haarlemse Randweg is er een prachtig zicht op de bosrand van Elswout en Duinvliet.
Historische beeldkarakteristiek 'Westelijk tuinbouwgebied'
Het gebied van de huidige woonbuurt bestond in de middeleeuwen uit een laaggelegen venige strandvlakte gelegen op het kleine stukje strandwal Heemstede-Overveen, tussen de westelijke en de middelste noord-zuid lopende strandwallen. In 1250 moet hier al het huis Rolland hebben gestaan, op een uitloper van de duinen, al is de exacte locatie van het huis niet bekend. Van hieruit werd het veen ontgonnen, waardoor het land geschikt werd voor tuinbouw en naderhand ook blekerijen.
In de 15de en 16de eeuw was de familie Ramp eigenaar van het huis, dat in 1737 is gesloopt. Op de plek van de huidige Rollandlaan lag de oprijlaan naar het huis.
Rond 1634 is begonnen met de aanleg van het landgoed Elswout in de duinen en het graven van een vaart naar Overveen, om zand vanuit het duingebied te vervoeren. Hierop werd al in de 18de eeuw de huidige Ramplaan aangelegd, die dan ook kaarsrecht is en die doorloopt tot buiten het Ramplaankwartier.
In de omgeving van de Ramplaan werden tussen de tuinderijen kleine buitenplaatsen gesticht, en hier en daar villa's gebouwd langs de dan bestaande wegen en paden.
Midden in het bloembollengebied bouwde Bloemendaal rond 1910 Tuindorp, dat nu onderdeel is van het Ramplaankwartier. Het wijkje werd verder uitgebreid nadat Haarlem in 1927 het gebied annexeerde. De schuin afgesneden zuidelijke grens, de Leendert Meeszstraat, is te verklaren omdat de zichtas vanaf Elswout naar de Oude Sint Bavokerk in Haarlem vrij moest blijven. Pas in 1937 werd de Vlaamseweg aangelegd als rechtstreekse verbinding met Haarlem, daarvoor was de wijk alleen aangehaakt op de wegen van Bloemendaal.
Na de oorlog werd de buurt in de noordoosthoek afgerond met bebouwing in strokenbouw en deels modernistische architectuur.
Historische beeldkarakteristiek 'Ramplaankwartier'
Het gebied ten zuiden en oosten van de Haarlemse binnenstad werd in de prehistorie reeds bewoond door boeren en in de 8ste en 9de eeuw ontgonnen, waardoor een veenweidegebied ontstond met een opstrekkende strokenverkaveling. Door het gebied liepen noord-zuid het Spaarne en de Kleine Houtweg, een parallelroute van de middeleeuwse Herenweg. In 1632 werd, een stuk noordelijker, de Amsterdamsevaart gegraven.
In de 17de en 18de eeuw werd het gebied ten zuiden van de toenmalige stad voor tuinbouw verpacht. Het complex Rozenprieel bestond toen grotendeels uit proeftuinen van verschillende tuinders. Het terrein werd gemeenschappelijk beheerd en had één ingang. Er werden bollen en bloemen geteeld, waaronder rozen, vandaar de naam. Verder lagen hier vooral buitenplaatsen en herenhuizen langs het Spaarne en herbergen.
Het Rozenprieel had vroeg in de 19de eeuw al een hoge bebouwingsdichtheid, vooral langs historische wegen zoals de Kleine Houtweg en langs de singelgracht en het Spaarne. In het derde kwart van de 19de eeuw werden de eerste arbeiderswoningen gebouwd op het complex Rozenprieel, met als zuidgrens de Bakkersstraat. Kort daarop werd ook elders gebouwd, op basis van een stratenplan dat het patroon van gedempte sloten volgde. Het ging vooral om kleinschalige volkswoningbouw, met langs de genoemde structuren voornamere herenhuizen.
Het gebied dat de Amsterdamse- en Potgieterbuurt buurt zou worden was eeuwenlang als weiland in gebruik; de boerderijen lagen langs de Zomervaart. In 1839 was door de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM) de spoorlijn naar Amsterdam aangelegd, en werkplaatsen verrezen direct noordelijk daarvan. Voor de werknemers werd vanaf eind 19de eeuw de Amsterdamsebuurt aangelegd. De HIJSM leende hiervoor geld aan de woningbouwverenigingen. Zij had immers alle belang bij een redelijke huisvesting van haar werknemers. Amsterdamsebuurt en Rozenprieel werden dicht bebouwd, met smalle straten zonder voortuinen en met weinig openbare ruimte.
In de jaren zestig sloeg het verval toe waardoor de gemeente de buurten wilde slopen. Onder druk vanuit de bevolking werd hiervan afgezien en vanaf 1974 werd voor het Rozenprieel ingezet op een ingrijpend stadsvernieuwingsplan met handhaving van het stratenpatroon. Inspraak en participatie kwamen in plaats van planvorming van bovenaf. Een nieuwbouwcomplex verving de verpauperde woningen die waren gebouwd op de tuinen van het Rozenprieel. Vooral voormalig stadsarchitect Nico Andriessen heeft hierbij een belangrijke rol gespeeld.
De in 1903 geopende huishoudschool is recent gerestaureerd en getransformeerd tot een multifunctioneel gebouw 'De Greiner'. De flat Koningstein, ontworpen in de jaren zeventig, zal worden gesloopt en de locatie wordt herontwikkeld. Net zuidelijk van het Rozenprieel zijn het voormalige ziekenhuisterrein en de historische bebouwing van de Mariastichting aan het Spaarne in het begin van de 21ste eeuw volledig vernieuwd ten behoeve van stedelijk wonen.
Historische beeldkarakteristiek 'Rozenprieel en Amsterdamsebuurt'
Het veengebied waarop Haarlem-Oost is gebouwd werd al ver voor onze jaartelling bewoond. In de 9de en 10de eeuw is het gebied ontgonnen door ontwateringsloten te graven. Bebouwing zoals boerderijen en molens (kalk-, run-, graanmolens) werd vooral langs het Spaarne en de Zomervaart gebouwd. Vanaf de 18de eeuw werd een aantal buitenplaatsen aangelegd langs de oostoever van het Spaarne. Langs de Amsterdamsevaart en -weg vestigden zich vlakbij de stad bedrijfjes die binnen de stad voor overlast zorgden. Door de toestroom van arbeiders eind 19de eeuw was huisvesting nodig en werd bij de Amsterdamsevaart - noordelijk van de toekomstige Slachthuisbuurt - eerst de Amsterdamsebuurt gebouwd.
Toen de Woningwet (1901) het maken van uitbreidingsplannen verplicht stelde, maakte L.C. Dumont, sinds 1902 directeur van Openbare Werken, in 1905 een plan voor verdere uitbreiding van de stad. Hierin nam hij ook het gebied oostelijk van de binnenstad op. Dit is een trendbreuk met de tot op dat moment vooral noord-zuid gerichte uitbreidingen op de langgerekte zandrug van de strandwal.
In 1907 opende het door Dumont zelf ontworpen gemeentelijk Slachthuis de deuren. Het complex lag op enige afstand van de stad met een bufferzone rondom en met de Slachthuisstraat als toegangsweg. Dumont maakt in 1916 het stedenbouwkundig plan voor het gebied oostelijk van de binnenstad. Hij ontwerpt een duidelijke hiërarchische wegenstructuur, met rechte brede hoofdstraten en smallere lichtgebogen woonstraten die parallel aan elkaar lopen. Stedenbouw, openbare ruimte en gebouwen vormen één geheel. Tot circa 1930 werden hier door woningbouwverenigingen kleinschalige arbeiders- en middenstandswoningen gebouwd. Een bijzonder complex is het in rijke Amsterdamse schoolstijl ontworpen Hof van Egmond, dat is gebouwd op het park van buitenplaats Veldlust uit 1794. Langs de Schalkwijkerstraat zijn twee tuindorp-achtige inhammen ontworpen. Pre-stedelijke bebouwing aan de Zomervaart en het Spaarne en het Slachthuiscomplex werden in het plan oostelijk van de binnenstad opgenomen.
De Van Zeggelenbuurt verrees in jaren dertig, wat ruimer en groener van opzet. Hier werden de pre-stedelijke bebouwing aan de Amsterdamsevaart en -weg en de Zomervaart in het plan opgenomen. In de jaren vijftig zijn de randen van het gebied bebouwd. In de jaren zeventig en tachtig is hier en daar gerenoveerd, zonder dat het oorspronkelijke karakter is verdwenen.
Historische beeldkarakteristiek 'Slachthuisbuurt en Van Zeggelenbuurt'
Langs de oostrand van de stad lagen scheepswerven, kalkovens en hout- of verfmolens, bedrijvigheid waarvoor binnen de stad geen plaats was. Van hieruit vestigden zich de eerste bedrijven eind 19de eeuw in de tegen de oude stad gelegen Veerpolder. Ook langs het Noorder Buiten Spaarne zou zich al vroeg bedrijvigheid ontwikkelen. In de 17de eeuw stonden hier onder meer molens, vanaf het laatste kwart 19de eeuw gevolgd door grootschalige industrie. De bedrijvigheid is geleidelijk en zonder overheidssturing tot stand gekomen. Industriëlen bepaalden zelf waar ze hun bedrijf vestigden, en vaak was dat langs de belangrijke transportader het Spaarne.
De Drostefabriek en de werkplaatsen van de spoorwegen (HIJSM) werden eind 19de eeuw gebouwd, de Gemeentelijke Gas- en Lichtfabriek rond 1900 en meer naar het noorden de Figeemachinefabriek (huidige bedrijfshal circa 1914).
Ook op de westoever kwam bedrijvigheid, zoals sedert 1883 de werf Conrad die zich steeds verder uitbreidde. Rond het terrein werden waterlopen of insteekhavens gegraven, zodat de werf tot in de jaren 1960 op een eilandje kwam te liggen. Fabrieken werden bijvoorbeeld ook aan de Paul Krugerkade gebouwd, onder andere een Chocolade-en Beschuitfabriek. Ook noordelijker ontstond langs het Noorder Buiten Spaarne bedrijvigheid, zoals de gasfabriek van de gemeente Schoten en het recentelijk gesloopte chemiebedrijf Sonneborn en Witco, dat in 1912 was gebouwd als raffinaderij van petroleumproducten.
Langs beide oevers van de centrale open ruimte van het Spaarne is zo een industrielandschap ontstaan met - in vergelijking met de historische stad - een gigantische schaal van gebouwen, bedrijfshallen, gashouders en schoorstenen, en met bijbehorende arbeiderswijken in de directe omgeving Amsterdamsebuurt en Transvaalbuurt.
Een aantal van de aan het eind van de 20ste eeuw buiten gebruik geraakte fabrieksterreinen
is of wordt herontwikkeld, o.a. het Drosteterrein, Figeegebouw en de Lichtfabriek. Uitgangspunt bij het Droste-terrein was om te midden van veel (zorgvuldig uitgevoerde) nieuwbouw historisch belangrijke panden te behouden, en een centraal stedelijke ondernemerszone te ontwikkelen.
Op de westoever zijn veel bedrijfsgebouwen gesloopt, maar een aantal panden herinnert nog aan de bedrijvigheid van weleer.
Historische beeldkarakteristiek 'Industriegebied Noorder Buiten Spaarne'
De Patrimoniumbuurt werd in opdracht van de gereformeerde woningbouwvereniging vanaf 1918 gebouwd direct ten noorden van de bolwerken als min of meer autonome tuinwijk.
De buurt ligt op dezelfde strandwal als de binnenstad. De zandige grond werd lange tijd gebruikt voor akkerbouw en veeteelt. In 1670 begon men met de grote uitleg aan de noordkant van de stad met acht bolwerken en een vestinggracht rondom. Het gebied erbuiten werd vrij gehouden als schootsveld.
In 1802 stichtte J.D. Zocher sr. hier zijn eigen kwekerij en enterij 'Rozenhagen' die meer dan 100 jaar als kwekerij van de bekende tuin- en landschapsarchitecten familie Zocher zou fungeren. Vanaf 1820 werden de verdedigingswerken geslecht, en is op de bolwerken, naar ontwerp van J.D. Zocher, een park in vroege landschapsstijl aangelegd.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte de gemeente een Algemeen Plan van Uitbreiding waarin ook het tegen de stad aan gelegen Rozenhagen werd opgenomen. De uitbreiding zou het slingerende tracé van de vestinggracht volgen. De gereformeerde woningbouwvereniging 'Patrimonium' kocht het terrein in 1918 en gaf architecten Tj. Kuipers en A. Ingwersen opdracht op basis van het gemeentelijke plan een ontwerp te maken voor zo'n 400 arbeiders- en middenstandswoningen. Openbare ruimte, stedenbouw en architectuur zijn als één geheel ontworpen. De buurt kreeg het karakter van een tuindorp door de kleine schaal, de voortuinen, de besloten pleinen en door toepassing van een overbouwde poort in de straat. De in 1921 voltooide buurt is als zelfstandige buurt gedacht met eigen voorzieningen als een (gereformeerde) kerk, een school en winkels.
In 2016 wordt de Patrimoniumbuurt aangewezen als beschermd stadsgezicht, als deel van het stadsgezicht Haarlem-Noord.
Historische beeldkarakteristiek 'Patrimoniumbuurt'
De Transvaalbuurt is tussen 1895 en 1910 door een exploitatiemaatschappij aangelegd ter plaatse van de voormalige buitenplaats Het Klooster. De westgrens van de uitbreiding werd gevormd door de middeleeuwse Herenweg, hier Rijksstraatweg en Schoterweg genoemd. De huizen werden vooral gebouwd voor arbeiders die werkten bij de nabijgelegen bedrijven aan het Spaarne. Speculanten hebben langs rechte smalle straten zo goedkoop mogelijk reeksen eengezinswoningen gebouwd met een of twee bouwlagen. In de meeste straten is nauwelijks groen aanwezig.
De Indische buurt zuid is eveneens met name voor arbeiders gebouwd vanaf 1910 en vooral in de jaren twintig, dus na de inwerkingtreding van de Woningwet. De daarin genoemde minimumeisen hebben voor een degelijke bebouwing gezorgd. Ook deze buurt is hoofdzakelijk projectmatig gebouwd met gesloten bouwblokken aan rechte straten in een orthogonaal patroon. Het noordelijk - eind jaren twintig gebouwde - deel is ruimer opgezet met soms voortuinen en straatbomen. In 1927 werd het hele gebied bij de annexatie van Schoten onderdeel van de gemeente Haarlem.
Historische beeldkarakteristiek 'Transvaalbuurt'
Buurten: Vondelkwartier, Rivierenbuurt, Vogelenbuurt, Dietsveld, Planetenbuurt, Indische buurt noord
De tweede noordelijke uitbreiding van Haarlem ligt op het grondgebied van de voormalige gemeente Schoten. Het dorp Schoten, waarvan de geschiedenis teruggaat tot de 8ste eeuw, bestond vooral uit boerderijen langs de Schoterweg (naderhand Rijksstraatweg); het had geen echte kern. De Schoterweg maakte deel uit van de middeleeuwse Herenweg, de noord-zuid over de strandwal doorlopende verbinding. Parallel loopt de middeleeuwse Middenweg (deels Achterweg geheten), voorheen vanaf de Kleverlaan, nu onderbroken door de uitbreiding van begraafplaats Akendam. De Vergierdeweg takt schuin af van de Rijksstraatweg, met een verdichting van lintbebouwing op de kruising. Aan de Vergierdeweg zijn sporen van bewoning uit de Romeinse tijd gevonden. Op deze locatie heeft in de middeleeuwen een kapel met een begraafplaats gestaan en een kapelbeek die vanuit de duinen naar het Spaarne liep. Tegenwoordig staat er, iets terug gelegen uit de rooilijn, het voormalige Schoter rechthuis, dat tot 1907 als raadhuis diende. Iets zuidelijker stond de neogotische Sint Bavokerk van Schoten die midden jaren 30 dertig door de Mariakerk is vervangen.
In Schoten ontstonden al begin 20ste eeuw - zeer tegen de zin van de gemeente Haarlem – forenzenbuurten om de groei van Haarlem op te vangen. Haarlem liep hierdoor belastingen mis en wilde de exodus van welgestelden stoppen. Al vanaf 1905 maakte de gemeente opeenvolgende uitbreidingsplannen vooruitlopend op een annexatie. In 1927 was het zover, onder meer Schoten en Spaarndam werden bij Haarlem gevoegd. In de jaren twintig was de Vogelbuurt al gebouwd. Na de annexatie werd het uitbreidingsplan fasegewijs vergroot en in gewijzigde vorm uitgevoerd. De bebouwing bestond vooral uit eengezinswoningen in gesloten bouwblokken langs rechte hoofdstraten en enigszins gebogen zijstraten. De gevelwanden zijn als één geheel ontworpen.
Het oude Schoter rechthuis werd in de bebouwing opgenomen en de omgrenzing van het schootsveld van de Verboden Kring van Spaarndam, de Vondelweg, bleef de onverbiddelijke oostgrens. Het bouwen binnen de opeenvolgende uitbreidingsplannen heeft geduurd tot ver in de jaren vijftig; latere invullingen voegen zich binnen dit stedenbouwkundig patroon.
Historische beeldkarakteristiek 'Woonbuurten Noord 1925-1955'
Buurten: Sinnevelt, Delftwijk en Overdelft
Voordat de noordelijke uitbreidingen werden aangelegd, lag in het gebied al de waterloop de Delft. De - nog bestaande - noord-zuid lopende vaart is in de middeleeuwen gegraven om het veenweidegebied te ontwateren.
De huidige buurt Overdelft - aan de overkant van de Delft, ook De Krim genoemd - maakte al deel uit van de Haarlemse uitbreidingsplannen van eind twintiger jaren. Daarin werd station Bloemendaal via Overdelft met de stad verbonden. In het plan waren stedenbouw, architectuur en openbare ruimte als één geheel ontworpen met gesloten bouwblokken en geknikte straten. Alleen het oostelijk deel is op die manier gerealiseerd (vanaf 1935). Elders is pas na de oorlog gebouwd, met eengezinswoningen die wel het oudere stratenpatroon volgen. Het noorden en westen van het gebied is gerealiseerd als strokenbouw. In Overdelft is de omslag in het stedenbouwkundig denken te zien.
De uitbreidingsplannen voor Delftwijk en Sinnevelt werden vastgesteld in 1961 en 1962. Van het gesloten bouwblok werd radicaal afgestapt ten gunste van strokenverkaveling. Beide wijken zijn ontworpen door A. van der Steld, hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling.
Het achterliggend idee voor Delftwijk en Sinneveld is dat stroken gestapelde woningen, georiënteerd op de zon en vrijstaand in het groen licht, lucht en ruimte in huis brengen. Wonen, werken en recreatie zijn ruimtelijk van elkaar gescheiden. Daarna is een dergelijke stedenbouwkundige opzet ook in Schalkwijk toegepast, maar dan op veel grotere schaal.
De wijken worden van elkaar gescheiden door een grote groenzone, bestaande uit het Schoterbos (aanleg vanaf 1937, 1962 uitbreiding) en het Noordersportpark (aanleg 1945). Deze oost-west gelegen groenzone was al opgenomen in uitbreidingsplan van 1926 als belangrijk groen voor de stad als geheel, maar fungeert ook als recreatiegebied en uitloopzone voor Sinneveld en Delftwijk en de andere omliggende buurten.
Vooral Delftwijk is vanaf het begin van de 21ste eeuw ingrijpend vernieuwd. Daarvoor is de oorspronkelijke opzet ingrijpend aangepast waarbij gesloten woonblokken, een plein en een wijkpark zijn geïntroduceerd.
Historische beeldkarakteristiek 'Naoorlogse uitbreiding Noord'
Buurten: Parkwijk, Europawijk, Boerhaavewijk, Molenwijk, Meerwijk
Parkwijk is de eerste naoorlogse stadsuitbreiding aan de oostkant van de stad. De wijk was volgens de Tuinstadgedachte gepland, vrij gelegen ten opzichte van de bestaande stad en met eigen voorzieningen deels zelfstandig ten opzichte van het centrum. De wijk werd volgens modernistische stedenbouwkundige principes ontworpen met bebouwing in stroken, vrij in de ruimte en niet meer langs straten en gesloten bouwblokken en een hiërarchisch verkeerssysteem die de wijk ontsluit. Iets later dan Parkwijk werd Schalkwijk gepland.
Het gebied van het huidige Spaarnwoude is gelegen op de meest oostelijke strandwal, waarop ook Spaarnwoude is gesitueerd. In de middeleeuwen is het gebied ontgonnen en ingepolderd. Aanvankelijk was het in gebruik als akker, maar na inklinking van het veen was de grond hiervoor te drassig en werd het als weiland gebruikt. In de jaren zestig en zeventig zijn de plannen voor de grootste stadsuitbreiding van Haarlem voor circa 40.000 bewoners gemaakt: Schalkwijk. In hoofdzaak is er strokenbouw in het groen toegepast; vrijstaande stroken met gestapelde woningen georiënteerd op de zon waardoor daglicht en frisse lucht in huis konden komen. Wonen, werken, verkeer en recreatie zijn ruimtelijk van elkaar gescheiden; de functionalistische stedenbouwkundige principes waren geïnspireerd op het CIAM.
De opzet is een grootschaliger variant van de westelijk gelegen buurten Sinnevelt en Delftwijk (vanaf 1961) en van het noordelijk van Schalkwijk gelegen, iets oudere Parkwijk (1956-1961), de eerste oostelijke stadsuitbreiding na de oorlog.
In het structuurplan uit 1961 was vastgelegd dat brede stroken met singels (voor de waterbeheersing) en hoofdwegen de wijken onderling zouden scheiden. Hoogbouw accentueert daarbij de hoofdstructuur. In de noord-zuidstrook was het grote winkelcentrum voorzien en het groengebied rond Schalkwijk werd bewust onbebouwd gelaten zodat hier een Groene Zoom rondom ontstond. De inpassing van de nieuwe wijk in het bestaande landschap was een belangrijk uitgangspunt en nieuw voor die tijd. Groen en water werden in ruimtelijke zin verbonden met het omringende landschap. De Groene Zoom werd zoveel mogelijk in verbinding gebracht met de parken, plantsoenen en waterwegen binnen het gebied.
Het eigenlijke Schalkwijk bestaat uit vier wijken, die ieder een zelfstandige eenheid vormen. Uitgangspunt bij het ontwerpen van het gebied was dat elke wijk een eigen gezicht zou krijgen met een eigen structuur die duidelijk afwijkt van de andere drie. In elke wijk is bovendien ruimte voor bijzondere openbare voorzieningen.
Het Reinaldapark tussen Parkwijk en Schalkwijk en gelegen tegen de Zomervaart/Fuikvaart was al opgenomen in het uitbreidingsplan van voor de oorlog als beoogd recreatiegebied voor heel Haarlem. Het park werd in 1956 ontworpen door de bekende landschapsarchitect J.T.P Bijhouwer, met een grote vijver, sportvelden en besloten 'tuinkamers'. Voor de vijver werd een deel van de Zomervaart/Fuikvaart vergraven. Het park werd pas in 1968 in wat gewijzigde vorm gerealiseerd. Jarenlang waren er problemen als gevolg van een nieuwe methode van vuilverwerking. Het vermalen vuil zorgde voor een ondoordringbare bodem waardoor er geen bomen konden groeien. Vooral aan de randen van Schalkwijk is naderhand bebouwing vernieuwd of nieuw bijgebouwd.
Zuiderpolder is gebouwd als laatste- ambitieuze - stadsuitbreiding uit de jaren tachtig, waar een aantal bekende eigentijdse architecten wooncomplexen heeft ontworpen.
Historische beeldkarakteristiek 'Parkwijk en Schalkwijk'
Schalkwijk - met als centrum het gebied Europaweg/Schipholweg - is gebouwd op de meest oostelijke strandwal, waar ook Spaarnwoude is gesitueerd. In de prehistorie was op meerdere plekken sprake van bewoning en in de middeleeuwen waren er huisplaatsen. In de middeleeuwen is het gebied ontgonnen, ingepolderd en als weiland in gebruik genomen. Rond 1950 werd hier doorheen de Schipholweg getrokken als verbinding met Schiphol.
Haarlems grootste stadsuitbreiding Schalkwijk is in de jaren zestig en zeventig iets zuidelijk van de Schipholweg gebouwd. Tussen de drukke weg en de wijk werd lange tijd een flinke strook groen open gehouden. In de centraal gelegen noord-zuidstrook tussen Europaweg en Amerikaweg waren centrale voorzieningen en winkels voorzien. Die werden rond 1970 gebouwd, toen een deel van de wijken al lang gereed was. De sterke functiescheiding tussen woon- en winkelgebieden is typerend voor de functionalistische stedenbouw van de jaren zestig. In het structuurplan uit 1961 was vastgelegd dat brede stroken met singels voor de waterbeheersing en hoofdwegen de voorzieningen- en winkelzone en de wijken onderling ruimtelijk van elkaar zouden scheiden. Het winkelcentrum werd vormgegeven als één megastructuur. Twee torenvormige gebouwen (de kantoortoren en de woontoren) fungeren aan de uiteinden als landmarks. Dat zijn ze niet alleen binnen het stadsdeelcentrum zelf, maar ook vanuit andere delen van Schalkwijk, omdat ze staan in de lange zichtassen van de hoofdwegen.
De strook zuidelijk van de Schipholweg is geleidelijk in gebruik genomen met sportcomplexen, een zwembad, ziekenhuis en rioolzuiveringsinstallatie. Woningbouw is er recent aan toegevoegd. Tussen deze strook en het winkelcentrum staan onder meer het Spaarneziekenhuis (verbouwd in 2004) en bebouwing uit de jaren zeventig.
De Europaweg is recentelijk door de gemeente als te ontwikkelen gebied aangewezen. De weg zal veranderen van een drukke verkeersroute in een levendige stadsstraat, waarmee Schalkwijk op een stedelijke manier met de rest van de stad wordt verbonden.
Historische beeldkarakteristiek 'Zone Europaweg Schipholweg'
De Waarder- en de Veerpolder waren eeuwenlang een agrarisch veenweidegebied, gelegen tussen het Spaarne en de Liede. In beide polders zijn veel resten van prehistorische bewoning gevonden, en van middeleeuwse bewoning en huisplaatsen, behorende bij de veenontginningen. Boerderijen, molens en grasland met ontwateringssloten bepaalden het beeld. Door het gebied liep de Oudeweg, de middeleeuwse verbinding over land vanaf de Amsterdamsepoort via Spaarnwoude naar Amsterdam. Het grootste deel van de polders ten noorden van de Amsterdamsevaart zou tot na WOII agrarisch gebied blijven.
Bij de grote annexatie van 1927 kwamen ook deze polders bij Haarlem en een aantal jaren later werd een uitbreidingsplan vastgesteld waarin de Waarderpolder werd aangewezen voor de aanleg van havens en industrieterreinen. In 1939 werd hiervan een deel uitgevoerd: de Industriehaven met bijbehorende terreinen. Vanaf die tijd werd het gebied als bedrijventerrein ontwikkeld.
Historische beeldkarakteristiek 'Bedrijventerrein Waarder- en Veerpolder'
Kenmerkend voor stadsrandzones is de dynamiek. Door de tijd heen transformeren deze zones omdat een stad groeit en ontwikkelt. In stadsrandzones vestigde zich eeuwenlang vooral bedrijvigheid die binnen de stad overlast kon veroorzaken, maar wel dicht bij de stad moest liggen. Het ging dan bijvoorbeeld om kalkovens, textielbedrijven of looierijen, maar ook om het Slachthuis en het Leprozenhuis.
Na 1945 vindt een transformatie plaats van functies in de stadsrandzones. Zo komen er sportvelden, volkstuinen en soms ook scholen, parken en recreatiegebieden of begraafplaatsen aan de rand van de stad. Het gaat vaak om nieuwe functies die ruimte nodig hebben. Ontwikkelingen in de randzones zorgen voor een ruimtelijk en functioneel gelaagde opbouw: gebieden en elementen van voor en na de verstedelijking liggen naast elkaar.
De stadsrandzones van Haarlem:
Het gebied ligt tussen de historische structuren Rijksstraatweg (deel van de middeleeuwse Herenweg) de Vergierdeweg (een parallelweg hiervan) en de Slaperdijk uit de 17de eeuw. Op een kaart van 1932 is de Tweede Algemene of Noorderbegraafplaats in aanleg te zien, net zuidelijk van de Slaperdijk. Rondom liggen dan weilanden en boerderijen. De RK begraafplaats Sint Joseph ertegenover werd in 1958 gerealiseerd. Kort daarop werden ook een volkstuinencomplex en een sportpark aangelegd. Het Spaarne Gasthuis dateert uit begin van deze eeuw.
Het in dit gebied gelegen sportpark werd aangelegd in de jaren zestig, in samenhang met de nieuwe stadsuitbreidingen Overdelft en Sinnevelt.
Hier werd rond 1960 een openlucht ijsbaan aangelegd. De ijsbaan werd aan het eind van de 20ste eeuw vervangen door een overkapte baan.
Het gebied langs de zuidgrens van de gemeente maakte tot circa 1960 deel uit van het buitenplaatsengebied langs de Wagenweg. Vanaf begin jaren vijftig werd de strook geleidelijk bebouwd met een groot lyceum en zorggebouwen. Begin jaren zestig werd de - al eerder geplande - Westelijke Randweg hier doorheen getrokken, waardoor het gebied geïsoleerd komt te liggen. Aan de overkant van de weg komt achter de huizen van de buitenplaatsen een sportterrein. De sportcomplexen en volkstuinen zorgen ervoor dat het landschap vanuit de stad moeilijk bereikbaar is.
Zuiderpolder werd gebouwd in de jaren tachtig ten oosten van Parkwijk en vormt de laatste - ambitieuze – stadsuitbreiding waar een aantal bekende eigentijdse architecten wooncomplexen heeft ontworpen. Deze wijk is gerealiseerd zonder zandopspuiting. Omdat de wijk op polderpeil ligt, ligt deze lager dan de omringende wijken.
Historische beeldkarakteristiek 'Stadsrandzones'
In dit hoofdstuk worden 19 belangrijke lange lijnen in de stad behandeld. Dit zijn de op het niveau van de stad en de regio verbindende historische structuren. De lijnen geven de stad samenhang en herkenbaarheid en zorgen voor oriëntatie. Het gaat om wegen en straten, waterlopen en spoorlijnen. De lange lijnen zijn buurt- en wijkoverschrijdend en hebben vaak een gecompliceerd en samengesteld karakter: ze verbinden historische plekken en/of hebben een historische betekenis door een specifieke (voormalige) functie.
De lange lijnen zijn fysieke ruimten inclusief de direct aanliggende bebouwing. Een hoofdrol is weggelegd voor de continuïteit van de lijn, die vaak wordt versterkt door bomenlanen en groen. De gebouwen erlangs geven maat, schaal en betekenis, en houden het historisch karakter afleesbaar. Waar de lijnen elkaar kruisen zijn soms markante historische plekken ontstaan.
Waar de lijnen buurten begrenzen of doorkruisen vormen ze bijzondere structuren op buurtniveau. Daarom moet de beschrijving van de lange lijnen altijd worden gebruikt in combinatie met de gebiedsbeschrijvingen in het vorige hoofdstuk. Alle lange lijnen met aanliggende bebouwing worden hoog gewaardeerd.
Naast de cultuurhistorisch waardevolle lange lijnen zijn er enkele meer recente routes die ruimtelijk en verkeerskundig van grote betekenis zijn voor de stad. Deze zijn als referentie ook opgenomen op de kaart.
Kaart Lange lijnen
Geologen hebben het ontstaan van het Spaarne in de ijzertijd gedateerd (800-50 v. Chr.). Van oorsprong mondde het bij het veengebied bij het Haarlemmermeer ontstane veenstroompje uit in het IJ. Waar een bocht van het Spaarne bijna de hooggelegen strandwal raakt ontstond Haarlem. Het Spaarne werd een belangrijke noord-zuid handelsroute door Holland. In de 13de eeuw werd bij de uitmonding in het IJ bij Spaarndam een dam aangelegd, met sluizen voor de scheepvaart.
Het Spaarne was de levensader voor Haarlem als handels- en marktstad. Beide oevers werden geleidelijk bebouwd, door aanplemping en ophoging is de rivier in de binnenstad aanmerkelijk versmald. Het Spaarne fungeerde niet alleen als vaarroute, er werd gevist, er was bedrijvigheid te vinden (scheepswerven) en het verse water werd door bierbrouwers gebruikt. Naast brouwerijen, scheepswerven en verwante bedrijvigheid werden de Spaarne-oevers ook een plek voor representatieve bebouwing, zoals de statige huizen van de bierbrouwers en later het Teylershofje (1787), Hodson Huis (1794) en de nieuwe entree van het Teylersmuseum (1878). Op de kades stonden bomen, vooral waar deze zich tot pleinruimtes verbreedden. Langs het water waren verschillende markten te vinden, de hooimarkt, turfmarkt, houtmarkt, Friese varkensmarkt. Ook stonden hier de waag en de stadskraan.
Zuidelijk van de binnenstad vormden de groene oevers met rivierzicht een aantrekkelijk woongebied voor welgestelden die hier vanaf de 17de eeuw buitenplaatsen bouwden en eind 19de en 20ste eeuw villawijken op de westoever.
Noordelijk van de binnenstad stonden van oudsher al molens langs het Spaarne. Vanaf 1880 vestigden zich aan het Noorder Buiten Spaarne grootschalige industrie en scheepswerven. De mogelijkheden voor de scheepvaart werden sterk vergroot met het in 1876 geopende Noordzeekanaal en daarna de vergroting van de sluizen bij Spaarndam.
In de loop van de 20ste eeuw werd het Spaarne steeds minder van belang voor scheepvaart en bedrijvigheid. Wel kwamen wonen en werken met zicht op de rivier steeds meer in zwang.
De Delft en de Houtvaart zijn middeleeuwse afwaterings- of draineringsvaarten. Ze zijn in noord-zuid richting gegraven ten westen van Haarlem bij de ontginning van het veengebied tussen beide strandwallen in. Zij stonden vermoedelijk van oorsprong met elkaar in verbinding, maar werden al vroeg van elkaar gescheiden door een in de Zijlweg aangelegd sluisje of 'zijl'. Op kaarten van rond 1600 zijn ze al niet meer verbonden. Daarna stroomden ze uit in respectievelijk de Garenkokersvaart en de Brouwersvaart. Op een kaart uit 1725 staan beide aangegeven met de naam 'Delf'. 'Delft' betekent gedolven of gegraven. De Delft liep door tot in het noorden van Schoten, de Houtvaart tot in Aerdenhout. In 1958 is langs de beide vaarten de Westelijke Randweg aangelegd, waarbij vooral de Houtvaart aanmerkelijk is versmald. De randweg, als vrij liggende vierbaansweg vormt een barrière tussen de (historische) stad en het buitengebied en doorsnijdt belangrijke historische verbindingen zoals de Zijlweg, Brouwersvaart, Vlaamseweg – De Ruijterweg en Pijlslaan. Tegelijk zorgde de randweg ervoor dat de historische stad ontlast werd van autoverkeer.
De Jan Gijzenvaart werd vanaf 1537 gegraven nadat Jan Gijssen van Blanckevoort toestemming had gekregen van de Heer van Brederode om over diens terrein een bestaande waterloop tot een vaart te vergraven. Die liep verder over Gijssens eigen land naar het Spaarne. De bedoeling was om via de vaart duinzand te vervoeren, om te gebruiken bij de bouw. In 1686 heeft Haarlem de vaart gekocht. Tot begin 20ste eeuw bleef het een belangrijke route voor zandtransport.
In de loop van de 20ste eeuw kwam de vaart binnen verstedelijkt gebied te liggen. In het uitbreidingsplan van 1926 waren twee grote oost-west lopende groenstroken voor Haarlem als geheel voorzien. De Jan Gijzenvaart maakt deel uit van de noordelijke strook. De vaart en de Jan Gijzenkade erlangs zijn daardoor bepalend geweest voor de stedenbouwkundige structuur van een heel aantal buurten. De Jan Gijzenvaart met zijn brede groene oevers en bomen erlangs fungeert nu als groene ader in de stad.
In de 17de eeuw vormde de Zomervaart, met in het verlengde ervan de Fuikvaart, de verbinding tussen het Spaarne en het Haarlemmermeer. Langs de vaart stonden boerderijen in het veenweidegebied.
Het slingerende beloop van de Zomervaart was het gevolg van de onregelmatige verkaveling van de Roomolenpolder. De rechte Fuikvaart volgde de kavelrichting van de Poelpolder. Toen het Haarlemmermeer in 1852 droogviel, bleef de waterloop in verbinding staan met de Ringvaart rond de Haarlemmermeerpolder.
Vanaf ongeveer 1900 is aan weerskanten van de Zomervaart Haarlem-Oost gebouwd. In de tweede helft van de 20ste eeuw is een deel van de Zomervaart met zijn onregelmatige loop vergraven tot een slingervijver als deel van het Reinaldapark en groene contramal van Parkwijk. De Fuikvaart loopt in het buitengebied nog steeds rechtdoor naar de Ringvaart.
Aan het eind van de middeleeuwen werd tussen het duingebied en de Haarlemse vestinggracht de Brouwersvaart gegraven om het schone kwelwater uit de duinen naar de stad te brengen. De Brouwersvaart liep vanaf de voormalige Raakspoort binnen de stad over in de toenmalige waterloop de Raaks en vandaar via de Beek naar het Spaarne.
Dat schone duinwater werd gebruikt door de brouwers en door blekerijen, totdat die laatste hier in 1599 verboden werden vanwege watervervuiling. In dezelfde tijd fungeerde de vaart ook als route voor zandtransport, getuige de naam 'Santvaert' op historische kaarten. In de 17de eeuw werd aan het begin van de vaart de nu nog bestaande (nieuwe) Brouwerskolk gegraven, waarmee in het duin een kunstmatige zoetwatervoorraad ontstond. Op kaarten uit de 17de eeuw en later liggen er tuinen en bescheiden buitenplaatsen langs de Brouwersvaart.
Aan het eind van de 19de eeuw is langs het oostelijk deel van de vaart aan beide zijden de Leidsebuurt en het Garenkokerskwartier gebouwd. De verkaveling daarvan is mede door de vaart bepaald. Westelijk van de Randweg loopt de Brouwersvaart door het buitengebied.
Vanaf eind 13de eeuw zijn rond Haarlem vestingwerken aangelegd, bestaande uit stadsmuren met torens, een vestinggracht rondom en poorten bij de belangrijkste toegangswegen met een brug over de gracht. Van de poorten is alleen de Amsterdamsepoort bewaard. De oudste muur werd omringd door de Oude Gracht, de huidige Nassaulaan, Nassaustraat en Ridderstraat. In de 15de en 16de eeuw werden nieuwe vestingwerken aangelegd waarbij de voormalige grachten in de stad werden opgenomen. In de 17de eeuw werd de stad omgeven door de huidige singels aan de zuidkant en grachten ter plekke van de huidige Nassaustraat en Wilhelminastraat.
Van de grootschalige stedelijke uitbreidingsplannen uit de tweede helft van de 17de eeuw werd alleen het noordelijk deel gerealiseerd met acht bastions omgeven door een gracht. Onderdeel van het plan was de Nieuwegracht binnen de stad.
Toen in de 19de eeuw de doorspoeling van de grachten verslechterde, waren stank en overlast van ongedierte het gevolg. Verscheidene (voormalige) stadgrachten werden daarom gedempt. De vestingwet van 1874 verklaarde het vestingstelsel als verouderd; Nederlandse steden mochten hun vestingen slechten, wat in Haarlem deels ook gebeurde. De singels aan de zuidkant, de Kinderhuissingel, de Lange Herenvest en de grachten rond de bolwerken bleven wel bestaan.
De Leidsevaart is als trekvaart met jaagpad erlangs aangelegd in 1657. Langs de zuidkant van de lange rechte vaart lag het jaagpad waarop jager en trekpaard liepen. De vaart werd gegraven tussen Leiden en Haarlem op kosten van beide steden gezamenlijk. De 30 kilometer lange vaart volgt een kaarsrecht tracé, met de weg aan de westkant. De vaart sluit nu aan op de Kinderhuisvest; vóór de ontmanteling van de vestingwerken sloot hij aan op de Brouwersvaart. Dankzij de goede toegankelijkheid zijn aan de vaart buitenplaatsen ontstaan zoals Zomerlust, Zwanenburg en Vaartzicht. De weg heeft zich ontwikkeld tot belangrijke uitvalsweg naar Leiden.
De trekvaart tussen Amsterdam en Haarlem werd in 1631-1632 aangelegd als de eerste trekvaart van Holland. De vaart, met een lengte van 16 kilometer, werd door beide steden gezamenlijk betaald. In Haarlem kwam de vaart uit in de Oostersingelgracht bij de Amsterdamsepoort.
Langs de zuidkant van de lange rechte vaart lag het jaagpad waarop jager en trekpaard liepen. Waar Halfweg is ontstaan lagen sluizen; hier moesten de reizigers overstappen. Dit unieke vervoerssysteem werd, vanwege het comfort en de betrouwbaarheid, een enorm succes. Het jaagpad langs de vaart werd bovendien verwelkomd als de kortste route over land naar Amsterdam. In 1762 werd het jaagpad verhard en daarna steeds verder verbeterd en verbreed.
De trekschuit legde het midden 19de eeuw af tegen de veel snellere trein. Ironisch genoeg werd het spoortracé direct langs de trekvaart gelegd. De vaart is buiten Haarlem nog grotendeels aanwezig maar niet meer voor scheepvaart in gebruik.
De Ringvaart en de Ringdijk zijn aangelegd in verband met het inpolderen van het te gevaarlijk geworden Haarlemmermeer. Plannen voor inpoldering waren er al sinds de 18de eeuw. Steeds meer land kalfde af en dorpen werden verzwolgen. In 1852 was de lastige klus geklaard. Rond het hele drooggelegde meer is dan de Ringdijk gelegd, met aan de buitenkant de vaart. Daarin wordt het overtollige water uit de droogmakerij gepompt. Over de hele lengte lopen dijk en Ringvaart dus naast elkaar. In de jaren zeventig van de 19de eeuw werden twee nog bestaande poldermolens gebouwd om het overtollige water uit de Haarlemse polders af te voeren op de Ringvaart.
De Ringvaart vormt ter hoogte van Schalkwijk de grens tussen Haarlem en de gemeente Haarlemmermeer. Aan de Haarlemse zijde van de vaart ligt een middeleeuws veenweide-landschap met nauwelijks bebouwing. Aan de overkant de grootste droogmakerij van Noord-Holland.
De oorspronkelijke Herenweg, die binnen de stad andere namen heeft gekregen, maakt deel uit van de reeds in de prehistorie aanwezige kustroute over de strandwal. De weg als geheel loopt van Alkmaar naar Den Haag en bestaat binnen Haarlem van noord naar zuid uit: Rijksstraatweg, Schoterweg, Kennemerstraat, Kruisstraat, Grote Markt, Koningsstraat, Gierstraat, Grote Houtstraat, Houtplein en Wagenweg.
De weg was de belangrijkste verbindingsroute over land die verschillende nederzettingen met Haarlem verbond, waaronder de agrarische bebouwing van het oude ambacht Schoten. Ook kastelen en voorname huizen (Huis ter Kleef, Huis te Zaanen) waren er op georiënteerd. Bovendien kwamen de middeleeuwse oost-west verbindingswegen vanuit het duingebied (Zijlweg en Kleverlaan) op de weg uit. Binnen de stad liep de Herenweg via het voorplein bij de Grote Houtpoort en de Nieuwpoort naar de Grote Markt. Parallel daaraan ontstond een aantal secundaire routes: noordelijk de Jansstraat en zuidelijk de Kleine Houtweg en Kleine Houtstraat. Ten noorden van de Jan Gijzenvaart was de Vergierdeweg in dit kader van belang; na de annexatie van Schoten is dit een secundaire weg geworden.
Vanaf de 17de eeuw werden langs de weg buitenplaatsen aangelegd, vooral ten zuiden van de stad langs de Wagenweg maar ook in het noorden tussen de Herenweg en het Spaarne. Nadien heeft de stad zich in de late 19de en in de 20ste eeuw ten noorden en zuiden van de binnenstad aan weerskanten van de weg uitgebreid, die daarbij als de grens is aangehouden tussen verschillende buurten. Het aanzien van de bebouwing aan de ene kant van de weg verschilt daarom vaak aanmerkelijk van de overkant.
In de middeleeuwen richtten overstromingen in het veenweidegebied ten zuiden van het IJ en in Spaarndam herhaaldelijk veel schade aan. Daarom werd de Spaarndammerdijk herhaaldelijk verhoogd en verbeterd. De dijk volgde vanaf Spaarndam de zuidelijke IJ-oevers via Halfweg naar Amsterdam. De dijk vormt de noordelijke grens van het Hoogheemraadschap van Rijnland dat langs de dijk het Gemeenlandshuis bouwde. De Spaarndammerdijk werd vanaf het begin van de 16de eeuw de enige - omslachtige - landverbinding tussen Amsterdam en Haarlem (via de Oudeweg en het Penningsveer) nadat de kortere landweg via Sloten door het Haarlemmermeer was weggespoeld. Pas met de aanleg van de Amsterdamsevaart en de weg erlangs in 1632 werd de verbinding beter.
In 1612 werd in het verlengde van de Spaarndammerdijk de Slaperdijk aangelegd tegen overstromingen vanuit de Wijkermeer.
In het dorp Spaarndam werd er aan de zuidkant al vroeg langs de dijk gebouwd, aan de noordkant pas na de aanleg van Noordzeekanaal 1876. De dijk vormde een kwetsbaar punt in de Stelling van Amsterdam. Ter verdediging hiervan werden twee forten aangelegd: de forten Benoorden en Bezuiden Spaarndam.
Het langgerekte lintdorp Schalkwijk is vermoedelijk ontstaan in de 13de eeuw bij de ontginning van het veengebied oostelijk van het Spaarne. De Schalkwijkerweg, de enige weg in het dorp, liep vanaf de voormalige Schalkwijkerpoort aan de zuidoostkant van Haarlem en eindigde aan het toen nog niet drooggelegde Haarlemmermeer. In de 16de eeuw stonden er boerderijen langs de weg, en een aantal kalkmolens dicht bij de stad. Vanaf de 17de eeuw werden ook enkele buitenplaatsen of herenboerderijen aangelegd. Het - nog bestaande - jaagpad direct langs het water dateert uit de 18de eeuw. Na 1850 werd het noordelijk deel van de weg in de stadsuitbreidingen opgenomen. Bij de aanleg van stadsuitbreiding Schalkwijk bleven de Schalkwijkerweg en de strook veenweidegebied langs het Spaarne ongemoeid, om te kunnen dienen als uitloop- en recreatiegebied voor de vele nieuwe bewoners. Langs de weg is gaandeweg de hoeveelheid bebouwing toegenomen.
De Zijlweg is een middeleeuwse weg die al vroeg de belangrijkste verbindingsweg werd tussen de westelijke strandwal (Bloemendaal en Overveen) en de oostelijke (Haarlem). De Zijlweg liep als Zijlstraat via de Zijlpoort tot aan de Grote Markt. In de 16de en 17de eeuw stonden er molens langs, met verder tuinderijen, blekerijen en weiland. Vanaf 1880 tot circa 1910 verrezen langs de weg steeds meer statige herenhuizen, en in de 20ste eeuw woningcomplexen en kantoren. Begin jaren zestig werd de Zijlweg doorsneden door de Westelijke Randweg; vooral rond deze kruising vond schaalvergroting plaats.
Onder 'zijl' wordt verstaan een waterloop, maar ook een (duiker)sluis. De naam is vermoedelijk te danken aan een sluisje in de weg, waarmee het veenwater uit de duinen tegen werd gehouden.
De 'Cleverlaen' komt al voor op kaarten uit de late 16de eeuw. De laan was eigendom van de Heren van Brederode en fungeerde als hun verbindingsweg met het Huis ter Kleef. Dit ten noorden van Haarlem gelegen kasteel was al sinds 1494 in hun bezit. In 1715 kocht Haarlem de Heerlijkheid en dus ook de Kleverlaan, die de verbinding met Bloemendaal was geworden. In de eerste helft van de 19de eeuw werd het wegdek ervan verhard.
Aan de noordkant grenst de laan aan de nooit bebouwde Schoterveenpolder met zijn deels pre-stedelijke polderverkaveling, de Algemene Begraafplaats en historische bebouwing zoals de ruïne van het Huis ter Kleef en de Stadskweektuin met bijbehorende gebouwen.
Rond 1920 werden aan de zuidkant (en deels aan de noordkant) eengezinswoningen van de Kleverparkbuurt gebouwd, met voortuinen en hagen.
De spoorlijn Amsterdam - Haarlem werd aangelegd in 1839 als de eerste spoorlijn in Nederland, en als eerste project van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM). De maatschappij was een initiatief van Amsterdamse ondernemers. De HIJSM zou naderhand nog een groot aantal spoorlijnen in Holland (en in Haarlem) aanleggen.
De lijn liep parallel aan de 17de-eeuwse Amsterdamsevaart en had zijn eindpunt bij een voorlopig stationsgebouw bij de Amsterdamsepoort. In 1842 werd de lijn in een grote boog door de stad in de richting van Leiden doorgetrokken. Daarbij werd een station gebouwd aan de noordkant van de binnenstad, binnen de historische vesting. In 1905-1908 werd het station door een nieuw gebouw vervangen en werden de sporen verhoogd aangelegd. Op een aantal belangrijke kruisingen kwamen gietijzeren viaducten en de spoorbrug over het Spaarne werd gebouwd. Op de plek van het oude station verrezen werkplaatsen voor onderhoud van het spoor, het begin van Hoofdwerkplaats Haarlem. De lijn is nog steeds in gebruik.
De spoorlijn Haarlem - Leiden werd vanaf 1842 aangelegd door de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM) als onderdeel van de verbinding Amsterdam - Rotterdam. Deze zogenaamde Oude Lijn was in 1847 een feit en is nog steeds in gebruik. Vanaf het station maakte de lijn een grote bocht naar het zuiden. Op die manier heeft het spoortracé de stadsuitbreidingen aan de westkant verregaand beïnvloed.
Tussen de Pijlslaan en de Westergracht werd rond 1880 een spoorwegemplacement met goederenstation gebouwd aan de oostzijde van het spoor. Het langgerekte complex zou een barrière gaan vormen voor stadsuitbreiding in westelijke richting, waardoor de stad zich vooral naar het zuiden heeft uitgebreid. Langs het tracé liggen verschillende met het spoor verbonden gebouwen, zoals spoorwachterswoningen en het Seinwezen, de in 1914-1915 gebouwde werkplaats bij de Kinderhuissingel.
In 1867 werd de spoorlijn Haarlem - Uitgeest aangelegd door de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM). De lijn was ook bekend als de Noord-Hollandsche lijn. Hiervoor werd een aftakking gemaakt van de bestaande lijn Haarlem - Leiden, even ten westen van de kruising met de singelgracht. Vanaf ditzelfde punt zou later ook de lijn naar Zandvoort worden doorgetrokken. Met de dwarsverbinding tussen de lijnen naar Leiden en Alkmaar ontstond hier een driehoekig spoorwegknooppunt met rangeerterrein. Dit knooppunt zou een duidelijke invloed hebben op de ruimtelijke ontwikkeling van het noorden van de stad, bijvoorbeeld in de Kleverparkbuurt en de buurten ten noorden daarvan langs het spoor.
De spoorlijn Haarlem - Overveen - Zandvoort werd in 1881 geopend. De lijn werd aangelegd door de Haarlem - Zandvoort Spoorweg Maatschappij (HZSM). De lijn was onlosmakelijk verbonden met het plan 'Nieuw Zandvoort' dat als doel had Zandvoort als badplaats te moderniseren en beter toegankelijk te maken. De ontwikkelaars achter dit plan waren voornamelijk Duitse investeerders. Enkele jaren later werd de exploitatie van de spoorlijn overgenomen door de HIJSM, die ook de andere spoorlijnen in Haarlem onder haar hoede had.
De spoorlijn werd aangelegd vanaf het punt waar de lijn naar Uitgeest aftakte van de oude lijn naar Leiden. De lijn eindigt in Zandvoort bij het in 1908 vlakbij het strand gebouwde kopstation. Het tracé liep door het duingebied tussen Haarlem en Zandvoort. Anders dan de andere spoortracés, heeft de spoorlijn door zijn ligging in het buitengebied geen gevolgen gehad voor de stedenbouwkundige ontwikkeling van de stad.
Aan de oostkant van Haarlem loopt het westfront van de Stelling van Amsterdam. Deze waterlinie was bedoeld om de vijand bij het naderen van Amsterdam te kunnen tegenhouden door strategisch geplaatste forten en het - via een ingenieus systeem van kades, inlaten etc - onder water zetten van het land. Tussen 1885 en 1907 werden langs de Ringvaart en de Liede zes forten aangelegd. De forten moesten accessen beschermen, de kwetsbare plekken die niet goed te inunderen waren zoals de Oudeweg en de Spaarndammerdijk en Slaperdijk. De forten werden met elkaar verbonden door een liniedijk (nu liniepad). Op basis van de Kringenwet van 1853, die in 1963 werd ingetrokken, moesten kringen rond ieder fort worden vrijgehouden van stenen bebouwing ten behoeve van een vrij schootsveld.
In 1917-1919 werd als extra versterking de Voorstelling bij Spaarndam aangelegd op 300 meter voor de hoofdwal. Die bestond uit drie linies van granaatvrije onderkomens. De 135 kilometer lange Stelling van Amsterdam is in 1996 als geheel aangewezen als Unesco Werelderfgoed. Het Fort Bezuiden Spaarndam en de Voorstelling liggen op Haarlems grondgebied.
De Stelling van Amsterdam geeft ruimtelijke samenhang op regionaal niveau en heeft met bijbehorende Verboden Kringen het veenweidegebied aan de oostkant van de stad vrij gehouden van bebouwing.
De door de aanwezigheid van de Stelling bewaard gebleven openheid maakt het mogelijk de 'harde' stadsrand van Haarlem van verre in het landschap te zien liggen, heel anders van aanzien dan de 'zachte' overgang aan de westkant.
Gezamenlijk vormen de binnen de Haarlemse stadsgrenzen gelegen onderdelen van de Stelling een compleet en gaaf bewaard militair landschap met fort, batterijen, frontgracht met inundatiekade, liniewallen, gemeenschapsweg, inundatiekanalen, granaatvrije onderkomens en houten bebouwing binnen de Verboden Kring.
Hoofdstuk 5 wordt afgesloten met een kaart met de cultuurhistorische waarden, afgeleid van de beschermde status van objecten en gebieden. Voor de gebouwen worden geen individuele kernkwaliteiten beschreven, hierbij wordt verwezen naar de beschrijvingen die zijn gemaakt in het kader van de aanwijzing tot monument of beeldbepalend pand. Op de kaart die bij dit hoofdstuk hoort zijn alle als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument aangewezen objecten opgenomen. Dit betreft vaak gebouwen maar soms ook gebieden, zoals een park. Hiernaast zijn alle beeldbepalende panden (zogenoemde orde 2) opgenomen. Naast monumenten en beeldbepalende panden met een formele status zijn ook waardevolle panden opgenomen die weliswaar waardevol zijn maar (nog) geen status hebben. De kaart toont de waardevolle gebouwen en soms specifieke locaties.
Kaart Cultuurhistorische waardering gebieden, gebouwen en andere objecten
De bronvermeldingen zijn benoemd onder de afbeelding. Indien er geen bron is vermeld, is gemeente Haarlem bronhouder van de afbeelding.
Karmelietenklooster (1249)
Dominicanenklooster (1287-1296)
Commanderij van Sint Jan (1310)
Zijlklooster (voor 1372)
Witte Herenklooster (1414)
Sint Michielsklooster (1414)
Sint Ursulaklooster (1417)
Sint Ceciliaklooster (1420)
Sint Margarethaklooster (1440)
Sint Catharinaklooster (1446)
Sint Claraklooster (1450)
Minderbroederklooster (1456)
Sint Mariaklooster (1468)
Sint Maria Magdalenaklooster (1474)
Sint Annaklooster (1485)
Sint Augustinusklooster (1490)
Cellebroederklooster (1496)
Begijnhof (1261)
Hofje de Bakenesserkamer (1395)
Onze Lieve Vrouwegasthuis (1440)
Anthonie Gasthuis (1440)
Brouwershofje (1472)
Hofje van Loo (1489)
Hofje der 12 apostelen (1538)
Hemelpoort (1550)
Hofje van Gratie (1554)
Kameren van Pieter Wutenhage (1558)
Deymanshofje (1563)
Vrouwe- of verwershofje (1593)
Spoorwaterhofje (1598)
Kamers van de erfgenamen van Berckenrode (1600)
Kamers van Lijsbet Harmans (1600)
Hofje van Aeff Steffens (1600)
Hofje de 15 kamers (1607)
Frans Loenenhofje (1607)
Luthershofje (1615)
Kameren van Pieter Wtenhage (1609)
GuurtBurretshofje (1610)
Bruiningshofje (1610)
Hofje van Mr. Pieter Jansz. Codde (1611)
GuurtBurretshofje (16??)
Comanshofje (1613)
Hofje Inden Groenen Tuin (1616)
Hofje van Guurtje de Waal (1616)
2 kamers van Mr. Willem van Assendelft (1628)
Brammershofje (1628)
Kameren van Mr. Gerrit van Ravensbergh (1628)
Zuiderhofje 1640)
Hofje van Heythuijsen (1650)
Hofje van Gratie (1650)
Sint Annahofje ( 1659)
Hofje het Lam (1660)
Wijnbergshofje (1662)
Blokshofje (1669)
Hofje van de Waalsche Diaconie (1671)
Hofje van Nicolaes van Beresteyn (1688)
Proveniershof (1707)
Teylershofje/Varkenhofje (1730)
Hofje van Staats (1733)
Hofje Dubbelde Muts (1755)
Hofje van Noblet (1761)
Hofje van Oorschot (1768)
Remonstrantse hofje (1774)
Teylershofje (1787)
GuurtBurretshofje (1859)
Hofje van mr. Pieter Jansz. Codde (1871)
Hofje der 12 apostelen (1882)
Hofje Codde en Van Beresteyn (1968)
Gravinnehofje (2001)
Joh. Enschedéhof (2007)
Oude of Sint Gangolfsgasthuis op de Botermarkt (1307)
Nieuwe of Sint Elisabethsgasthuis op het Verwulft (1335)
Sint Remigiusgasthuis bij Kleine Houtpoort (voor 1386)
Sint Jansgasthuis aan Lange Wijngaarstraat (1390)
Heilig Geestgasthuis (hoek Krocht/kruisstraat (1394)
Sint Cornelisgasthuis (hoek Cornelissteeg/Grote houtstraat (1408-1422)
Sint Jacobsgasthuis in de Hagestraat (1436)
Onze Lieve Vrouwegasthuis Bakenesse (1440)
Sint Anthoniegasthuis (Schalkwijkerpoort 1440)
Leprooshuis Kruisweg 1413
Anthoniegasthuis (1440) (vanaf 1581 een hofje)
Sint Elisabethgasthuis verhuisd (1581)
Oudemannenhuis (1607)
Grote Diaconiehuis (1768-1771)
Nederduitsch Hervormde Diaconie Aalmoes en armenhuis (1810)
MOOI Noord-Holland:
Marijke Beek
José van Campen
Dorine van Hoogstraten
Bas Schout (kaarten)
Kim Zweerink (projectleiding)
Gemeente Haarlem:
Hugo Alefs
Nelleke Manschot
Jeroen Traudes
Klankbordgroep gemeente:
Anja Brandenburg
Martijn Dekker
Karen Schenk
Rolf Tjerkstra
Maartje Taverne
Mick de Waart
Anja van Zalinge